Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11520

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL26.16060 en AWB 26-4779
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen plaatsing in HTL en vrijheidsbeperkende maatregel wegens agressief gedrag

Eiser werd op 26 februari 2026 geplaatst in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen en kreeg een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Na vrijwillig vertrek en hernieuwde aanmelding werd hij op 24 maart 2026 opnieuw geplaatst en kreeg hij wederom een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Eiser stelde dat het eerdere plaatsingsbesluit niet was opgeheven en dat de vrijheidsbeperkende maatregel onrechtmatig was.

De rechtbank oordeelde dat het eerdere plaatsingsbesluit door het vrijwillig vertrek van eiser van rechtswege was komen te vervallen en dat het nieuwe besluit terecht was genomen. Het agressieve en dreigende gedrag van eiser, waaronder een poging tot kopstoot en verbale bedreigingen, werd door meerdere getuigen bevestigd en kwalificeerde als een incident met zeer grote impact.

De rechtbank vond dat het COa voldoende had gemotiveerd dat plaatsing in de HTL proportioneel was, mede gezien eerdere incidenten. Ook de vrijheidsbeperkende maatregel werd als rechtmatig beoordeeld, waarbij eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn belangen niet waren meegewogen. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 26/4779 en NL26.16060

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[vreemdeling], eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. G. van Reemst),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: drs. B.H. Wezeman).

Inleiding

1. Het COa heeft bij eerder besluit van 26 februari 2026 eiser vanaf 26 februari 2026 in de HTL in Hoogeveen geplaatst. Aan eiser is op diezelfde datum door de minister een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw is opgelegd.
1.1.
Eiser heeft op 14 maart 2026 de HTL vrijwillig verlaten en afgezien van opvang. De minister heeft vervolgens de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel van 26 februari 2026 met ingang van 16 maart opgheven.
2. Eiser heeft zich op 22 maart 2026 opnieuw gemeld voor opvang.
2.1.
Het COa heeft vervolgens bij besluit van 24 maart 2026 weer besloten om eiser vanaf 24 maart 2026 in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (hierna: het plaatsingsbesluit). De minister heeft op diezelfde datum wederom een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [2] (hierna: de vrijheidsbeperkende maatregel) aan eiser opgelegd.
2.2.
Eisers beroep is gericht tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel van 24 maart 2026. De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
2.3.
Eiser heeft op 31 maart 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op 20 april 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. C. Hansum, als waarnemer van zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt, dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en dat eiser ook geen vergoeding krijgt in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het verband met het plaatsingsbesluit van 26 februari 2026
4. Eiser voert aan dat het plaatsingsbesluit van 24 maart 2026 niet opgelegd had mogen worden, omdat het eerdere plaatsingsbesluit van 26 februari 2026 niet is opgeheven.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is met het COa van oordeel dat vanwege het voortijdig vrijwillig vertrek van eiser uit de HTL, het plaatsingsbesluit van 26 februari 2026 van rechtswege niet meer bestaat dan wel is opgegeven. Dat de vrijheidsbeperkende maatregel wel per besluit is ingetrokken, doet hier niet aan af. Verder overweegt de rechtbank dat, zoals ook op pagina 16 van het Maatregelenbeleid van het COa is weergegeven, een bewoner die vrijwillig de opvang en de HTL heeft verlaten, opnieuw bij het COa kan aankloppen om aanspraak te maken op opvang en dat deze bewoner dan in beginsel wordt teruggeplaatst in de HTL, met verwijzing naar (de motivering van) de eerder gerealiseerde overplaatsing. Dit is in deze zaak gebeurt. Het COa heeft dus op goede gronden aan eiser een nieuw plaatsingsbesluit met dezelfde motivering opgelegd.
De feitelijke verslaglegging van het incident
5. In de verslaglegging van het COa staat het volgende. Op 24 februari 2026 omstreeks 12:30 uur wilden COa-medewerkers 1 en 2 een inventaris-check doen in de kamer van eiser vanwege de komst van een nieuwe bewoner op 26 februari 2026. Toen COa-medewerker 1 voor de derde keer aanklopte omdat de deur van de kamer niet werd opengedaan, deed eiser de deur open. Eiser begon direct te schreeuwen en wilde weten waarom er op deze manier op de deur werd geklopt. Eiser schreeuwde “who the fuck are you? Do you think you’re Jesus Christ?”. Nadat de kamer was gecontroleerd, legde COa-medewerker 2 aan eiser uit dat er de volgende dag een nieuwe bewoner op zijn kamer geplaatst werd. Eiser schreeuwde “What?”, stapte vluchtig uit bed en richtte zich op dreigende wijze op COa-medewerker 1. Eiser zei met verheven stem “Who the fuck are you? You will see what’s going to happen. You are going to see! You don’t know who I am!”, waarbij eiser op 20 centimeter afstand van COa-medewerker 1 ging staan. Eiser sloeg vervolgens met forse impact op zijn eigen borst en schreeuwde meerdere malen “You are going to see who I am”. Hierbij praatte eiser met zoveel consumptie, dat er spetters voelbaar waren op het gezicht van COa-medewerker 1. Eiser bleef schreeuwen en bewoog zijn hoofd met behoorlijke snelheid richting COa-medewerker 1, waarbij het erop leek dat eiser deze een kopstoot wilde geven. COa-medewerker 1 kon zichzelf tijdig beschermen door zijn arm naar voren te steken en eiser af te weren, waarop eiser een stap achteruit deed. Omdat de agressie van eiser gericht was op COa-medewerker 1, besloot deze de kamer uit te stappen. COa-medewerker 2 bleef in de kamer en probeerde eiser rustig te krijgen, maar dit lukte niet. Eiser schreeuwde naar COa-medewerker 2 en zei over COa-medewerker 1 “Don’t say you don’t know this man. This man has a big issue. He has done something wrong to me. I know what I’m going to do”. COa-medewerker 2 gaf vervolgens een Code Alpha af over de portofoon, waarop meerdere collega’s, beveiligers van Trigion en brandwachters ter plaatse kwamen. De hal bij de kamer stond vol personeel en bewoners die het geschreeuw van eiser meekregen. Omdat eiser verbaal agressief bleef richting de COa-medewerkers, werd besloten eiser mee te nemen naar een spreekkamer, waar onder toezicht van beveiligers een gesprek met hem kon worden gevoerd.
5.1.
De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. Eisers enkele stelling dat hij geen poging heeft gedaan om de COa-medewerker een kopstoot te geven en hij daarnaast ook niet zou hebben gezegd “You will see what is going to happen”, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Uit de verslaglegging volgt duidelijk dat eiser verbaal agressief was, hij op 20 centimeter afstand van COa-medewerker 1 stond, hij vervolgens met een behoorlijke snelheid richting COa-medewerker 1 bewoog en dat deze zichzelf tijdig kon beschermen door eiser af te weren. De rechtbank is van oordeel dat het COa dit gedrag van eiser terecht heeft aangemerkt als een poging tot het geven van een kopstoot. Daarnaast zijn deze feiten door meerdere getuigen, namelijk de twee betrokken COa-medewerkers, andere collega’s van hen, beveiligingsmedewerkers, de brandwacht en medebewoners, waargenomen. Pogingen om rustig in gesprek te gaan met eiser lukten niet. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de niet nader onderbouwde stelling dat slechts sprake was van een woordenwisseling. Eisers beroepsgrond slaagt niet.
De impact van het incident
6. De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident van 24 februari 2026 terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, nu het zowel gaat om gedrag met als doel de ander ernstig te bedreigen, als gedrag met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen. [3] Uit de verslaglegging van het COa blijkt immers dat eiser verbale agressie toonde richting de twee COa-medewerkers, waarbij hij zeer dreigende uitlatingen deed over COa-medewerker 1, zoals “This man has a big issue, I know what I’m going to do”. Daarnaast ging eiser op 20 centimeter van COa-medewerker 1 staan, schreeuwde hij en raakte het speeksel van eiser het gezicht van COa-medewerker 1. Ook was er sprake van een directe poging tot het toebrengen van ernstige fysieke schade, nu eiser een kopstoot probeerde uit te delen aan COa-medewerker. Eisers stelling dat hij niet daadwerkelijk geweld heeft gepleegd, is in dit verband niet relevant. Verder heeft het agressieve en dreigende gedrag van eiser ervoor gezorgd dat een “Code Alpha” moest worden afgegeven en dat de inzet van meerdere beveiligers en brandwachten noodzakelijk was om de orde te herstellen. Het gedrag van eiser zorgde niet alleen voor een onveilig gevoel bij de medewerkers, maar ook bij de medebewoners in hun eigen woonomgeving. Eisers beroepsgrond dat het niet om een incident met een zeer grote impact gaat, slaagt dus niet.
Belangenafweging
7. De rechtbank is voorts van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Uit het Maatregelenbeleid van het COa volgt immers dat in beginsel een HTL-maatregel wordt opgelegd wanneer sprake is van één incident met een zeer grote impact. Daarvan is in deze zaak sprake. Verder heeft het COa kunnen meewegen dat uit bijlage 1 van het plaatsingsbesluit blijkt, dat eiser vóór het onderhavige incident in de periode tussen 11 september 2023 en 28 november 2025, meerdere incidenten heeft veroorzaakt waarbij verschillende lichtere maatregelen zijn toegepast. Eiser heeft meerdere keren de huisregels overtreden en is vaker betrokken geweest bij incidenten waarbij agressie en geweld een rol hebben gespeeld. Deze hebben ertoe geleid dat er twee correctiegesprekken hebben plaatsgevonden, eiser twee keer een ROV-01 maatregel opgelegd heeft gekregen en dat eiser drie keer een time-out en ROV-maatregel opgelegd heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat het COa hiermee voldoende invulling heeft gegeven aan zijn inspanningsverplichting om eiser op de eigen locatie te corrigeren. Gelet op onderhavig incident en het onveranderde gedrag van eiser, heeft het COa geen lichter middel aan eiser hoeven opleggen. De rechtbank concludeert dan ook dat de plaatsing van eiser in de HTL niet disproportioneel is geweest.
8. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
9. Eiser voert aan dat de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel onrechtmatig is, nu er volgens hem niet is voldaan aan het vereiste dat de oplegging in het belang van de openbare orde of nationale veiligheid is. Ook voert eiser aan dat bij de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, zijn belangen niet zorgvuldig en kenbaar zijn afgewogen. Hoewel geen sprake is van vrijheidsontneming maar slechts van een vrijheidsbeperkende maatregel, wordt de feitelijke impact hiervan op de situatie van eiser miskent. Door de opgelegde maatregel is eiser feitelijk niet in staat om naar zijn werk in Amsterdam te gaan en hierdoor is eiser ook zijn baan verloren. De gevolgen van de vrijheidsbeperking zijn volgens eiser verstrekkend en hadden zwaarder moeten wegen in de besluitvorming.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De minister heeft de vrijheidsbeperkende maatregel kunnen opleggen in het belang van de openbare orde en daarbij kunnen wijzen op het plaatsingsbesluit. Eisers enkele niet onderbouwde stelling dat niet is voldaan aan het vereiste dat de oplegging in het belang van de openbare orde of nationale veiligheid is, is niet onderbouwd en faalt al om die reden. Ook eisers betoog dat ten onrechte geen rekening is gehouden met zijn belangen, die bestaan in het hebben van een baan, en dat deze niet zorgvuldig en niet kenbaar zijn betrokken bij het besluit tot oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, slaagt niet. Eiser heeft zijn stelling dat hij een baan heeft namelijk op geen enkele wijze onderbouwd en derhalve niet aannemelijk gemaakt.
9.2.
Ook het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is ongegrond.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL en de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mochten nemen.
10.1.
Eisers verzoek om schadevergoeding wordt gezien het voorgaande afgewezen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, op 11 mei 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Maatregelenbeleid COa, 10 maart 2026, paragraaf 4.1.