5.1.De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. Eisers enkele stelling dat hij geen poging heeft gedaan om de COa-medewerker een kopstoot te geven en hij daarnaast ook niet zou hebben gezegd “You will see what is going to happen”, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Uit de verslaglegging volgt duidelijk dat eiser verbaal agressief was, hij op 20 centimeter afstand van COa-medewerker 1 stond, hij vervolgens met een behoorlijke snelheid richting COa-medewerker 1 bewoog en dat deze zichzelf tijdig kon beschermen door eiser af te weren. De rechtbank is van oordeel dat het COa dit gedrag van eiser terecht heeft aangemerkt als een poging tot het geven van een kopstoot. Daarnaast zijn deze feiten door meerdere getuigen, namelijk de twee betrokken COa-medewerkers, andere collega’s van hen, beveiligingsmedewerkers, de brandwacht en medebewoners, waargenomen. Pogingen om rustig in gesprek te gaan met eiser lukten niet. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de niet nader onderbouwde stelling dat slechts sprake was van een woordenwisseling. Eisers beroepsgrond slaagt niet.
De impact van het incident
6. De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident van 24 februari 2026 terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, nu het zowel gaat om gedrag met als doel de ander ernstig te bedreigen, als gedrag met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen.Uit de verslaglegging van het COa blijkt immers dat eiser verbale agressie toonde richting de twee COa-medewerkers, waarbij hij zeer dreigende uitlatingen deed over COa-medewerker 1, zoals “This man has a big issue, I know what I’m going to do”. Daarnaast ging eiser op 20 centimeter van COa-medewerker 1 staan, schreeuwde hij en raakte het speeksel van eiser het gezicht van COa-medewerker 1. Ook was er sprake van een directe poging tot het toebrengen van ernstige fysieke schade, nu eiser een kopstoot probeerde uit te delen aan COa-medewerker. Eisers stelling dat hij niet daadwerkelijk geweld heeft gepleegd, is in dit verband niet relevant. Verder heeft het agressieve en dreigende gedrag van eiser ervoor gezorgd dat een “Code Alpha” moest worden afgegeven en dat de inzet van meerdere beveiligers en brandwachten noodzakelijk was om de orde te herstellen. Het gedrag van eiser zorgde niet alleen voor een onveilig gevoel bij de medewerkers, maar ook bij de medebewoners in hun eigen woonomgeving. Eisers beroepsgrond dat het niet om een incident met een zeer grote impact gaat, slaagt dus niet.
7. De rechtbank is voorts van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Uit het Maatregelenbeleid van het COa volgt immers dat in beginsel een HTL-maatregel wordt opgelegd wanneer sprake is van één incident met een zeer grote impact. Daarvan is in deze zaak sprake. Verder heeft het COa kunnen meewegen dat uit bijlage 1 van het plaatsingsbesluit blijkt, dat eiser vóór het onderhavige incident in de periode tussen 11 september 2023 en 28 november 2025, meerdere incidenten heeft veroorzaakt waarbij verschillende lichtere maatregelen zijn toegepast. Eiser heeft meerdere keren de huisregels overtreden en is vaker betrokken geweest bij incidenten waarbij agressie en geweld een rol hebben gespeeld. Deze hebben ertoe geleid dat er twee correctiegesprekken hebben plaatsgevonden, eiser twee keer een ROV-01 maatregel opgelegd heeft gekregen en dat eiser drie keer een time-out en ROV-maatregel opgelegd heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat het COa hiermee voldoende invulling heeft gegeven aan zijn inspanningsverplichting om eiser op de eigen locatie te corrigeren. Gelet op onderhavig incident en het onveranderde gedrag van eiser, heeft het COa geen lichter middel aan eiser hoeven opleggen. De rechtbank concludeert dan ook dat de plaatsing van eiser in de HTL niet disproportioneel is geweest.
8. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
9. Eiser voert aan dat de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel onrechtmatig is, nu er volgens hem niet is voldaan aan het vereiste dat de oplegging in het belang van de openbare orde of nationale veiligheid is. Ook voert eiser aan dat bij de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, zijn belangen niet zorgvuldig en kenbaar zijn afgewogen. Hoewel geen sprake is van vrijheidsontneming maar slechts van een vrijheidsbeperkende maatregel, wordt de feitelijke impact hiervan op de situatie van eiser miskent. Door de opgelegde maatregel is eiser feitelijk niet in staat om naar zijn werk in Amsterdam te gaan en hierdoor is eiser ook zijn baan verloren. De gevolgen van de vrijheidsbeperking zijn volgens eiser verstrekkend en hadden zwaarder moeten wegen in de besluitvorming.