3.1.Eisers beroepsgrond dat de weergegeven feiten niet juist zijn en dat deze daardoor niet aan het plaatsingsbesluit ten grondslag kunnen worden gelegd, slaagt niet. Eisers enkele niet onderbouwde stelling dat hij bewoonster B (zijn echtgenote) niet heeft geslagen, maar dat zij zichzelf tegen de muur sloeg omdat zij graag wil terugkeren naar Syrië, is niet onderbouwd en naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de andere feitelijke omstandigheden niet aannemelijk. In dat verband is van belang dat de beveiliger bij de beveiligingsloge heeft waargenomen dat bewoonster B uitingen van angst vertoonde en dat toen eiser bij de loge verscheen, hij zich direct verbaal agressief opstelde en bewoonster B in de Arabische taal uitschold. Door de beveiliger is toen ook duidelijk fysiek letsel in het gezicht van bewoonster B waargenomen en dit is met uitdrukkelijke toestemming van bewoonster B gefotografeerd. Bovendien is bewoonster B met de kinderen kort daarna ondergebracht in de noodkamer. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de foto's van het letsel onderdeel hadden moeten uitmaken van het dossier, omdat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de feitelijke verslagging door het Coa.
De impact van het incident
4. De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, omdat het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstig fysieke schade toe te brengen.Vast staat immers dat bewoonster B was aangevallen door eiser, waarbij zij meermaals met de vuist in haar gezicht is geslagen. Ook staat vast dat bewoonster B daardoor verwondingen heeft opgelopen aan haar voorhoofd, beide wangen, neus en een wond op haar hoofd waaruit bloed vloeide. Tijdens het vervolggesprek op 16 februari 2026 toonde bewoonster B aan de COa-medewerkers de resterende letselsporen, waaronder rode plekken op haar voorhoofd en wenkbrauwen en zichtbare sporen van bloed als gevolg van de hoofdwond. Dat bewoonster B benadrukte dat zij niet wilde dat eiser gestraft zou worden en zij ook geen aangifte wilde doen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het incident niet gekwalificeerd kan worden als een incident met een zeer grote impact. Dat er volgens eiser enkel sprake is van een echtelijke ruzie c.q. een tijdelijke huwelijks/relatiecrisis en dat dit blijkt uit de omstandigheid dat bewoonster B hoogstens heeft verzocht om een tijdelijke verblijfssituatie, doet evenmin af aan de impact van het incident. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat het plaatsingsbesluit drie dagen na het incident is opgelegd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het COa enige tijd moet worden gegund zorgvuldig onderzoek te doen, verklaringen te verzamelen en het gebeurde te omschrijven. Eisers beroepsgronden slagen in dit verband evenmin.
5. De rechtbank is voorts van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. Volgens het beleid wordt in beginsel een plaatsingsbesluit opgelegd als sprake is van een incident met een zeer grote impact. Daarvan is in deze zaak sprake. Het COa heeft daarbij mogen meewegen dat er al eerder incidenten hebben plaatsgevonden vanwege het gewelddadig gedag van eiser, eveneens richting bewoonster B, zoals blijkt bijlage 1 van het plaatsingsbesluit. Eisers betoog dat het plaatsingsbesluit alleen is opgelegd op basis van het incident van 16 februari 2026, is derhalve onjuist. Nu de eerder genomen lichtere maatregelen onvoldoende tot gedragsverandering hebben geleid, heeft het COa zich op het standpunt kunnen stellen dat de HTL-maatregel noodzakelijk en evenredig is om het gedrag van eiser aan te pakken en de veiligheid van zijn gezin te waarborgen. De door eiser naar voren gebrachte omstandigheden dat er geen sprake is van mishandeling door eiser van de kinderen en er sprake was van een echtelijke ruzie, zijn gelet op het voorgaande geen omstandigheden die een lichtere maatregel kunnen rechtvaardigen. Eisers stelling dat ook zijn kinderen onevenredig zwaar zijn gestraft, omdat zij gedurende een periode van drie maanden hun vader niet in vrijheid kunnen zien en dingen met hem kunnen ondernemen, maakt het plaatsingsbesluit evenmin onevenredig.
6. Eisers beroepsgronden slagen niet. Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
7. Eiser heeft in dit kader geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.