Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11500

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
12103238 \ EJ VERZ 26-70605
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:670a lid 2 BWArt. 7:672 BWArt. 7:667 lid 1 BWArt. 7:670b BWArt. 7:686a lid 4 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Billijke vergoeding en transitievergoeding na onterecht ontslag op staande voet tandartsassistente

De werknemer, een tandartsassistente, werd op 17 december 2025 op staande voet ontslagen door haar werkgever. Zij berustte in het voortijdige einde van haar arbeidsovereenkomst, maar stelde dat het ontslag onterecht was wegens het ontbreken van een dringende reden en het opzegverbod tijdens ziekte. De kantonrechter stelde vast dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was gegeven.

De arbeidsovereenkomst was voor bepaalde tijd gesloten en verlengd, met een einddatum van 1 september 2026. Partijen hadden op 5 december 2025 een vaststellingsovereenkomst gesloten met een einddatum van 31 december 2025, die de werknemer op 17 december 2025 ontbond. De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet tussentijds kon worden opgezegd en dat de transitievergoeding daarom over de volledige periode tot 1 september 2026 moest worden berekend.

De kantonrechter kende de werknemer een billijke vergoeding van €1.800,00 bruto toe, rekening houdend met de verstoorde arbeidsrelatie en de korte duur van het dienstverband. Daarnaast werd een transitievergoeding van €442,00 bruto en een gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging van €990,72 bruto toegekend. De vordering van de werkgever tot betaling van teveel opgegeven uren werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Ten aanzien van de inlevering van bedrijfseigendommen (sleutel en kleding) werd de werknemer toegelaten bewijs te leveren, omdat de werkgever dit betwistte. De kantonrechter hield verdere beslissingen aan in afwachting van de bewijslevering.

Uitkomst: Werkgever moet werknemer een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding betalen wegens onterecht ontslag op staande voet.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
JL (C)
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Leiden
Zaaknummer / rekestnummer: 12103238 \ EJ VERZ 26-70605
Beschikking van 28 april 2026
in de zaak van
[partij A],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. N.M. Fakiri,
tegen
[partij B] ,t.h.o.d.n. [handelsnaam] ,
gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. H.E. Sluis.

1.De kern van de zaak

1.1.
[partij A] werkte sinds 1 juni 2025 bij [partij B] als tandartsassistente. Zij is op 17 december 2025 op staande voet ontslagen. [partij A] berust in het voortijdige einde van haar arbeidsovereenkomst, maar stelt wel dat het ontslag op staande voet onterecht was. Volgens [partij A] was geen sprake van een dringende reden. Daarnaast was zij ziek en staat het opzegverbod tijdens ziekte aan het ontslag in de weg. Daarom verzoekt [partij A] om toekenning van een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding.
1.2.
[partij B] verzoekt zelf, als tegenverzoek, om [partij A] te veroordelen tot betaling van € 222,39. [partij A] heeft volgens [partij B] namelijk 14,3 uur ten onrechte opgegeven als gewerkte uren. Ook verzoekt [partij B] om [partij A] te veroordelen de sleutel en de bedrijfskleding in te leveren.
1.3.
De uitkomst is dat [partij B] een billijke vergoeding van € 1.800,00 bruto, een transitievergoeding van € 447,00 bruto en een gefixeerde schadevergoeding van € 990,72 bruto aan [partij A] moet betalen. [partij A] hoeft niks aan [partij B] te betalen. De kantonrechter is er nog niet over uit of [partij A] de sleutel en de bedrijfskleding nog moet inleveren. Omdat [partij A] stelt dat zij dit al heeft gedaan en [partij B] dit betwist, zal [partij A] worden toegelaten om die stelling te bewijzen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties, ingekomen op 18 februari 2026,
- het verweerschrift, met een tegenverzoek, met producties, ingekomen op 25 maart 2026,
- de aanvullende productie van [partij A] ,
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
[partij A] , geboren [geboortedatum] 1997, is sinds 1 juni 2025 in dienst bij [partij B] . De functie van [partij A] is tandartsassistente met een loon van laatstelijk € 14,40 bruto per uur.
3.2.
Tussen partijen gold een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 juni 2025 tot 1 september 2025, die hierna is verlengd van 1 september 2025 tot 1 september 2026. In de laatste arbeidsovereenkomst is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
ARTIKEL 1 – DUUR VAN HET CONTRACT
Deze overeenkomst wordt aangegeven voor bepaalde tijd voortwaalf maandeningaande op1 september 2025.Bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wordt deze automatisch beëindigd na afloop van de genoemde periode, zonder dat opzegging vereist is (art. 7:667 lid 1 BW Pro), en eindigt automatisch op1 september 2026.
(…)
ARTIKEL 9 – BEËINDIGING VAN HET CONTRACT
Dit contract eindigt automatisch op de afgesproken einddatum opzegging geschiedt met inachtneming van de wettelijke opzegtermijnen, conform artikel 7:672 BW Pro. (…)
Werkgever en werknemer kunnen te allen tijde in onderling overleg de arbeidsovereenkomst beëindigen met een vaststellingsovereenkomst (artikel 7:670b BW).
(…)”
3.3.
Op 5 december 2025 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. In artikel 4.1 van deze overeenkomst is het volgende vermeld:
“4.1 De arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden op31 december 2025.
3.4.
Op 9 december 2025 heeft [partij A] zich ziekgemeld.
3.5.
Op 17 december 2025 heeft [partij A] de vaststellingsovereenkomst ontbonden.
3.6.
Op 17 december 2025 is [partij A] op staande voet ontslagen.

4.Het geschil

in het verzoek van [partij A]
4.1.
verzoekt de kantonrechter – samengevat – om toekenning van een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding, met veroordeling van [partij B] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. [partij A] berust in het voortijdige einde van haar arbeidsovereenkomst, maar stelt wel dat het ontslag op staande voet onterecht was. Volgens [partij A] was geen sprake van een dringende reden.
4.2.
[partij B] is het ermee eens dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, maar zij is het niet eens met (de hoogte van) de door [partij A] verzochte billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding. Volgens [partij B] wilde [partij A] namelijk zelf niet meer voor [partij B] werken. [partij B] is het ook niet eens met de periode waarover [partij A] de transitievergoeding heeft berekend, omdat zij geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van tussentijdse opzegging. Bovendien zal toewijzing van de verzochte vergoedingen ernstige financiële consequenties voor [partij B] hebben. Daar moet dus rekening mee worden gehouden. Daarnaast is [partij B] van mening dat zij de proceskosten van [partij A] niet hoeft te betalen, omdat deze procedure niet nodig was geweest als (de advocaat van) [partij A] had meegewerkt aan het vinden van een oplossing.
in het tegenverzoek van [partij B]
4.3.
[partij B] verzoekt de kantonrechter – samengevat – om [partij A] te veroordelen tot betaling van € 222,39 aan teveel opgegeven gewerkte uren, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook verzoekt [partij B] om [partij A] te bepalen dat [partij A] de bedrijfseigendommen (sleutel en bedrijfskleding) inlevert, met oplegging van een dwangsom. Tot slot verzoekt [partij B] [partij A] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4.
[partij A] betwist dat zij meer uren heeft opgegeven dan zij heeft gewerkt. Daarnaast stelt zij dat zij de bedrijfseigendommen al heeft ingeleverd.

5.De beoordeling

in het verzoek van [partij A]
De arbeidsovereenkomst tussen [partij A] en [partij B]
5.1.
Vaststaat dat partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hebben gesloten van 1 juni 2025 tot 1 september 2025. Deze arbeidsovereenkomst is vervolgens verlengd voor bepaalde tijd van 1 september 2025 tot 1 september 2026. Partijen spraken af dat [partij A] 16 uur per week als tandartsassistente zou werken en 8 uur per week een praktijkdag zou hebben in het kader van haar opleiding Human Resource Management aan het NCOI, die zij in oktober 2025 is gestart. Partijen spraken ook af dat [partij B] die opleiding dan zou betalen. In dat kader heeft [partij A] op 27 november 2025 zelf een studiekostenovereenkomst opgesteld, maar zij heeft deze vervolgens nooit ondertekend. In november 2025 hebben partijen met elkaar gesproken over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Vervolgens hebben partijen op 5 december 2025 een vaststellingsovereenkomst ondertekend en afgesproken dat het dienstverband zou eindigen op 31 december 2026. Partijen zijn het erover eens dat [partij A] zou stoppen met haar werk als tandartsassistente, maar dat het wel de bedoeling was dat zij 8 uur per week zou blijven werken in het kader van haar studie. Vervolgens heeft [partij A] de vaststellingsovereenkomst op 17 december 2025 ontbonden en is zij op diezelfde dag door [partij B] op staande voet ontslagen.
Het ontslag op staande voet
5.2.
[partij A] en [partij B] zijn het erover eens dat [partij B] niet heeft voldaan aan de formele eisen die voor een ontslag op staande voet gelden, alleen al omdat geen sprake is van een dringende reden. Dat betekent dat vaststaat dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. De kantonrechter merkt nog op dat het opzegverbod tijdens ziekte hier niet van toepassing is, omdat sprake is van een ontslag op staande voet (artikel 7:670a lid 2, onderdeel c, BW).
[partij A] heeft het verzoekschrift tijdig ingediend
5.3.
De kantonrechter zal hieronder beoordelen of [partij A] aanspraak kan maken op de door haar verzochte vergoedingen. De kantonrechter stelt vast dat [partij A] het verzoekschrift tijdig heeft ingediend, omdat het is ontvangen binnen zowel twee maanden (billijke vergoeding en gefixeerde schadevergoeding), als drie maanden (transitievergoeding) na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. [1]
[partij B] moet een billijke vergoeding van € 1.800,00 bruto betalen
5.4.
Als een gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, zoals hier het geval is, kan de kantonrechter aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen. [2] Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [3] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval. Daarbij kan in aanmerking worden genomen hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben geduurd als het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt weggedacht. Ook mag rekening worden gehouden met de gevolgen van het ontslag. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
5.5.
[partij A] maakt aanspraak op een billijke vergoeding van € 11.629,80 bruto. [partij A] is er bij de berekening van uitgegaan dat zij tot 1 september 2026 bij [partij B] zou hebben gewerkt. Daarnaast is [partij A] van mening dat de billijke vergoeding ook een afschrikwekkende werking moet hebben voor de werkgever en dat daarmee bij de hoogte van de vergoeding rekening moet worden gehouden.
5.6.
Anders dan [partij A] heeft aangevoerd, vindt de kantonrechter het niet aannemelijk dat [partij A] nog tot 1 september 2026 bij [partij B] in dienst zou blijven. Uit het procesdossier leidt de kantonrechter af dat de arbeidsrelatie tussen partijen voorafgaand aan het ontslag al in aanzienlijke mate was verstoord. Op geen enkele wijze is gebleken dat er nog sprake was van een vertrouwensbasis tussen [partij A] en [partij B] op grond waarvan een langere en vruchtbare samenwerking nog mogelijk zou zijn geweest. Gelet op al hetgeen tot nu toe tussen [partij A] en [partij B] is voorgevallen en hun daardoor ernstig verstoorde verhouding, zijn zij zodanig tegenover elkaar komen te staan dat de kantonrechter het niet aannemelijk vindt dat het dienstverband van [partij A] bij [partij B] nog langer dan enkele maanden had geduurd, indien [partij A] niet onterecht zou zijn ontslagen.
5.7.
Naast het bovenstaande weegt de kantonrechter mee dat sprake is van een zeer kort dienstverband, namelijk van 1 juni 2025 tot 17 december 2025. Ook houdt de kantonrechter er rekening mee dat [partij A] , zoals hierna zal worden geoordeeld, recht heeft op een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. Daarnaast betrekt de kantonrechter bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding dat de billijke vergoeding ook een afschrikwekkende werking mag hebben, in die zin dat [partij B] op de noodzaak wordt gewezen haar gedrag in eventuele volgende, soortgelijke gevallen aan te passen.
5.8.
Dit alles afwegende vindt de kantonrechter een billijke vergoeding ter hoogte van € 1.800,00 bruto passend en redelijk. Dat betekent dat [partij B] zal worden veroordeeld om dat bedrag aan [partij A] te betalen.
[partij B] moet een transitievergoeding van € 442,00 bruto betalen
5.9.
[partij B] heeft erkend dat zij een transitievergoeding aan [partij A] is verschuldigd. [partij B] is echter van mening dat de periode waarover de transitievergoeding moet worden berekend loopt van 1 juni 2025 tot 17 december 2025. In de arbeidsovereenkomst is volgens [partij B] namelijk de mogelijkheid opgenomen om de arbeidsovereenkomst tussentijds op te zeggen en de arbeidsovereenkomst is door de berusting van [partij A] in het (onterechte) ontslag geëindigd op 17 december 2025. Dat volgt volgens [partij B] uit artikel 9 van Pro de arbeidsovereenkomst. [partij A] heeft betwist dat partijen een tussentijds opzegbeding zijn overeengekomen.
5.10.
De kantonrechter volgt [partij B] niet in haar betoog, vanwege het volgende. Tussen partijen was sprake van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, namelijk van 1 september 2025 tot 1 september 2026. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd loopt af na het verstrijken van die bepaalde tijd, dus in dit geval 1 september 2026. De kantonrechter leest in artikel 9 van Pro de arbeidsovereenkomst geen tussentijds opzegbeding. Hierin staat namelijk dat de arbeidsovereenkomst
automatischeindigt op de afgesproken einddatum, in dit geval 1 september 2026. De enkele verwijzing naar artikel 7:672 BW Pro (dat gaat over opzegging van de arbeidsovereenkomst), is daarvoor onvoldoende. Bovendien hebben partijen op de zitting aangegeven dat zij niet hebben gesproken over de mogelijkheid om tussentijds op te zeggen. Dat betekent dat voor de hoogte van de transitievergoeding ook moet worden uitgegaan van de periode van 1 juni 2025 (start dienstverband) tot 1 september 2026 (einde dienstverband). [partij B] zal worden veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 442,00 bruto bedraagt.
[partij B] moet een gefixeerde schadevergoeding van € 990,72 bruto betalen
5.11.
Ook de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [4] De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 990,72 bruto.
in het tegenverzoek van [partij B]
Teveel opgegeven uren
5.12.
[partij B] stelt dat [partij A] ten onrechte 14,3 uur heeft opgegeven als gewerkte uren. [partij A] heeft dat betwist. De kantonrechter zal deze vordering afwijzen, omdat [partij B] deze vordering niet met stukken heeft onderbouwd. Het had juist op de weg van [partij B] als werkgever gelegen om inzichtelijk te maken dat [partij A] teveel uren heeft opgegeven, bijvoorbeeld door het overleggen van een urenregistratie. Dat heeft [partij B] niet gedaan.
Sleutel en bedrijfskleding
5.13.
[partij B] stelt dat [partij A] de sleutel en de bedrijfskleding moet inleveren. [partij A] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat haar zus op 30 december 2025 de sleutel heeft ingeleverd. Ook stelt zij dat zij de bedrijfskleding al heeft ingeleverd. [partij B] heeft dat betwist.
5.14.
[partij A] heeft op de mondelinge behandeling specifiek bewijs aangeboden van haar stelling dat zij de bedrijfseigendommen al heeft ingeleverd. Nu [partij B] betwist dat [partij A] de bedrijfseigendommen al heeft ingeleverd en dit niet kan worden afgeleid uit de door [partij A] overgelegde stukken, wordt [partij A] overeenkomstig haar bewijsaanbod toegelaten dit te bewijzen.
in het verzoek van [partij A] en in het tegenverzoek van [partij B]
5.15.
De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van de uitkomst van de bewijslevering.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het verzoek van [partij A]
6.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een billijke vergoeding te betalen van € 1.800,00 bruto,
6.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 990,72 bruto,
6.3.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] een transitievergoeding te betalen van € 442,00 bruto,
in het tegenverzoek van [partij B]
6.4.
laat [partij A] toe tot het leveren van bewijs van haar stelling dat zij de sleutel en de bedrijfskleding bij [partij B] heeft ingeleverd,
6.5.
bepaalt dat [partij A] zich uiterlijk op
dinsdag 26 mei 2026mag uitlaten over of zij het door haar aangeboden bewijs wenst te leveren dan wel dat zij hiervan om haar moverende redenen wenst af te zien en, indien zij dat wenst, dit te doen door:
  • het direct overleggen van bewijsstukken en/of,
  • het voorbrengen van getuigen, onder opgave van de namen en woonplaatsen van de voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdata van partijen, hun gemachtigden en de getuigen voor de maanden mei, juni en juli 2026, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
6.6.
bepaalt dat indien [partij A] getuigenbewijs wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op een nader te bepalen dag en uur in het gerechtsgebouw te Leiden, Witte Singel 1, ten overstaan van mr. I.D. Bellaart,
in het verzoek van [partij A] en in het tegenverzoek van [partij B]
6.7.
houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van de uitkomst van de bewijslevering.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.D. Bellaart en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:686a lid 4, onderdeel a en b, BW.
2.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
4.Artikel 7:672 lid 11 BW Pro.