ECLI:NL:RBDHA:2026:11491
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvragen wegens ongeloofwaardige nationaliteit en geen reëel risico op vervolging
Eisers, een vader en zoon van Oeigoerse afkomst, vroegen asiel aan met de stelling dat zij de Chinese nationaliteit bezitten en bescherming nodig hebben vanwege hun etnische achtergrond en problemen met het Chinese veiligheidsbureau. De minister wees de aanvragen af omdat de nationaliteit van eisers als ongeloofwaardig werd beoordeeld en zij geen vluchtelingenstatus konden verkrijgen.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitging van de Turkse nationaliteit van eisers, gebaseerd op verklaringen en het ontbreken van objectieve documenten die het tegendeel bewijzen. De geloofwaardigheid van de verklaringen over de nationaliteit werd verworpen, mede door inconsistenties en het overleggen van een vals rijbewijs.
Verder stelde de rechtbank vast dat eisers geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije aannemelijk hebben gemaakt, mede omdat zij bescherming kunnen inroepen bij Turkse autoriteiten. De minister mocht de aanvragen kennelijk ongegrond verklaren vanwege de ongeloofwaardige nationaliteit en het bewust achterlaten van relevante documenten.
De beroepen werden ongegrond verklaard en eisers kregen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter W. Loof op 7 mei 2026 in Arnhem.
Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardige nationaliteit en het ontbreken van een reëel risico op vervolging.