ECLI:NL:RBDHA:2026:1148

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
09/052915-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor verkrachting met gebruik van overwicht en dwang

Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van verkrachting. De zaak betreft een incident dat plaatsvond op 30 juni 2024, waarbij de verdachte de aangeefster, een 19-jarige vrouw, in zijn auto heeft gedwongen tot seksuele handelingen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn overwicht als bestuurder van de auto, terwijl de aangeefster onder invloed van alcohol was en afhankelijk van hem om naar huis te komen. De rechtbank heeft de verklaringen van de aangeefster als betrouwbaar beoordeeld, ondanks de ontkenning van de verdachte. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de aangeefster heeft gezoend, haar borsten heeft betast en haar heeft gevingerd zonder haar toestemming. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht en verplichte behandeling. De rechtbank heeft de ernst van het feit en de impact op het slachtoffer zwaar laten meewegen in de strafmaat.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/052915-25
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] te [plaats 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 30 mei 2025 en 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. van Rookhuizen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. K. Durdu naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 30 juni 2024 te Koudekerk aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn en/of te Leiden, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door:
- zich valselijk voor te doen als taxichauffeur en/of misbruik te maken van zijn overwicht als bestuurder van de auto terwijl hij wist dat die [aangeefster] graag naar huis wilde en daarvoor van hem, verdachte, afhankelijk was en/of
- misbruik te maken van het feit dat die [aangeefster] dronken/aangeschoten was en/of (gelet op de toestand waarin die [aangeefster] zich bevond voor haar) onverhoeds te handelen en/of
- voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale uitingen van verzet door die [aangeefster] ,
[aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten
- het (tong)zoenen van die [aangeefster] en/of
- het betasten van de borsten van die [aangeefster] en/of
- het brengen en/of (vervolgens) heen en weer bewegen van een of meer van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [aangeefster] en/of
- het betasten/wrijven tussen/over de schaamlippen en/of over de blote vagina van die [aangeefster]
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 30 juni 2024 te Koudekerk aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn en/of te Leiden, althans in Nederland, met [aangeefster] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten
- het (tong)zoenen van die [aangeefster] en/of
- het betasten van de borsten van die [aangeefster] en/of
- het brengen en/of (vervolgens) heen en weer bewegen van een of meer van zijn,
verdachtes, vingers in de vagina van die [aangeefster] en/of
- het betasten/wrijven tussen/over de schaamlippen en/of over de blote vagina van die [aangeefster] .

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangeefster onvoldoende betrouwbaar zijn, omdat zij niet consistent en onvolledig zijn. De verklaringen worden bovendien niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. De raadsman heeft zodoende integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover van belang – nader ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
3.4.1.
Inleiding
Zedenzaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat slechts twee personen aanwezig zijn bij de seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Daardoor ontstaat vaak de situatie dat zij tegengesteld verklaren over wat er precies is gebeurd. Ook in de onderhavige zaak is dit het geval.
Het staat in deze zaak niet ter discussie dat de verdachte en de aangeefster elkaar op enig moment in de nacht van 29 op 30 juni 2024 hebben ontmoet in de binnenstad van Leiden. Na een kort gesprek met elkaar te hebben gevoerd, heeft de verdachte zijn telefoonnummer aan de aangeefster gegeven. Zij ging eerst nog wat eten met vrienden. Op een later moment heeft aangeefster de verdachte gebeld en is hij haar komen ophalen. De aangeefster is in de auto van de verdachte gestapt en ze zijn in de richting van de woonplaats van de aangeefster gereden. Onderweg is de verdachte gestopt op de [straatnaam]. De verdachte heeft vervolgens aan het slachtoffer gevraagd of zij wilde zoenen. Hij heeft haar gezoend en heeft met zijn hand in haar broek gezeten. Over hetgeen verder in de auto heeft plaatsgevonden en of de aangeefster toestemming heeft gegeven voor het handelen van de verdachte dan wel dat sprake is geweest van dwang, staan de verklaringen van de aangeefster en de verdachte lijnrecht tegenover elkaar.
3.4.2.
Juridisch kader
Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op basis van alleen de verklaring van de aangeefster. Daarom moet sprake zijn van bijkomend bewijs dat aan die verklaring voldoende steun biedt. Daarvoor is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring met bijkomend bewijs wordt ondersteund. Op grond van vaste rechtspraak kan in zedenzaken een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van de aangeefster voldoende wettig bewijs opleveren. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet is vereist dat de gedragingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangeefster, als die betrouwbaar wordt bevonden, op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen die afkomstig zijn van een andere bron dan de aangeefster. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband.
De rechtbank zal hierna eerst toetsen of de verklaringen van de aangeefster op zichzelf beschouwd betrouwbaar kunnen worden geacht. Als dat het geval is, zal de rechtbank vervolgens beoordelen of de verklaringen van de aangeefster in voldoende mate worden ondersteund door ander bewijs. Tot slot zal de rechtbank ingaan op de vraag of sprake was van dwang.
3.4.3.
Betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster
De aangeefster heeft kort na het incident op 30 juni 2024 gesproken met een van de verbalisanten die ter plaatse was gekomen. Nog diezelfde dag heeft er een informatief gesprek zeden met de aangeefster plaatsgevonden op het politiebureau, waar zij opnieuw haar verhaal heeft gedaan. Op 14 februari 2025 heeft de aangeefster aangifte gedaan en weer een verklaring afgelegd. Naar aanleiding van die verklaring is de aangeefster op 18 september 2025 bij de rechter-commissaris als getuige nogmaals gehoord.
De aangeefster heeft dus meerdere keren over het incident verklaard. In die verklaringen heeft zij over de gebeurtenissen, de volgorde en de plaats waar het zich heeft afgespeeld steeds gedetailleerd, consistent en niet tegenstrijdig verklaard. Zo heeft zij telkens verklaard dat zij uit was in Leiden, dat zij dacht dat de verdachte een taxichauffeur of iets vergelijkbaars was, dat hij zijn nummer in haar telefoon heeft gezet, dat ze nog wat is gaan eten en hem later heeft gebeld, dat zij vervolgens door de verdachte vanuit Leiden met de auto naar huis werd gebracht, dat zij op een gegeven moment zijn gestopt bij de [straatnaam] en dat de verdachte daar toen vroeg of zij wilde zoenen. Ook over de seksuele handelingen die de verdachte heeft verricht, heeft de aangeefster consistent verklaard. De aangeefster heeft steeds verklaard dat de verdachte haar heeft gezoend, dat hij met zijn hand in haar broek ging en dat hij haar heeft gevingerd. De aangeefster heeft ook steeds verklaard dat zij in shock was en dichtklapte, maar dat zij wel heeft aangeven dat zij naar huis wilde. Zij durfde zich niet te verzetten, voelde zich gevangen en was te bang om iets te doen. Op enig moment is de verdachte gestopt en zijn zij verder gereden naar [plaats 2] , waar de aangeefster is uitgestapt bij een brug.
Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de aangeefster voldoende consistent en gedetailleerd zijn. Zij heeft de gebeurtenissen telkens van begin tot eind op gedetailleerde wijze en feitelijk beschreven. Dat er enkele kleine verschillen in die verklaringen voorkomen doet daar niet aan af. Het is zelfs logisch dat verklaringen op punten van elkaar verschillen als deze op verschillende momenten in de tijd worden afgelegd. De verschillen die er zijn, acht de rechtbank niet dermate groot dat haar verklaring daardoor als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt.
De rechtbank wordt gesterkt in haar overtuiging dat de verklaringen van de aangeefster betrouwbaar zijn nu de aangeefster uit zichzelf berichten heeft gestuurd naar een vriendin waarin ze beschrijft dat de verdachte haar wilde zoenen en probeerde seks te hebben. De rechtbank acht daarbij van belang dat de aangeefster al begonnen is met het versturen van deze berichten tijdens het incident, terwijl zij nog bij de verdachte in de auto zat. De inhoud en toon van deze berichten zijn passend bij de leeftijd van de aangeefster en de situatie waarin zij zich bevond en de berichten dragen om die reden ook bij aan de authenticiteit en geloofwaardigheid van de verklaringen van de aangeefster.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen redenen om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster te twijfelen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die verklaringen dan ook in hun geheel voldoende betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
3.4.4.
Steunbewijs
De rechtbank overweegt dat de verklaringen van de aangeefster in voldoende mate steun vinden in andere bewijsmiddelen.
DNA van de verdachte
De rechtbank ziet steunbewijs voor de verklaringen in het DNA van de verdachte dat is aangetroffen op de lippen van de aangeefster, op haar venusheuvel en bij de buitenste schaamlippen. Dit bevestigt dat de verdachte de aangeefster niet alleen heeft gezoend, maar ook met zijn hand in haar broek en bij de vagina is geweest. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het
nietaantreffen van verdachtes DNA bij de binnenste schaamlippen en diep vaginaal de verklaring van de aangeefster, dat de verdachte haar heeft gevingerd, ontkracht. De rechtbank gaat daar niet in mee. Dat het DNA van de verdachte op die plekken niet is aangetroffen, betekent niet zonder meer dat hij daar niet met zijn vingers is geweest. De rechtbank acht de verklaringen van de aangeefster in hun geheel betrouwbaar, dus ook voor die onderdelen die zien op het inbrengen en bewegen van de vingers van verdachte in de vagina van aangeefster.
Emotie aangeefster
De rechtbank ziet eveneens steunbewijs voor de verklaringen in de waarneming van emotionele toestand van de aangeefster door een toevallige passant. Direct na het incident is de aangeefster huilend en zeer overstuur aangetroffen op een bankje door de getuige [getuige] . Op dat moment was de aangeefster aan het bellen met haar vrienden. Eén van deze vrienden heeft verklaard dat de aangeefster tijdens dit gesprek erg overstuur was en dat ze moest huilen. Ook toen de politie ter plaatse kwam werd door hen waargenomen dat de aangeefster op dat moment zeer geëmotioneerd was.
Chatberichten
De verklaringen van de aangeefster vinden voorts steun in de inhoud van de door de aangeefster verstuurde chatberichten toen zij bij de verdachte in de auto zat. Tijdens de autorit heeft de aangeefster verschillende chatberichten gestuurd aan haar vriendin [naam] , met wie ze die avond uit was gegaan en die ook wist dat zij was ingestapt in de auto. Die chatberichten zijn kort, met veel typefoutjes. De aangeefster schrijft dat de bestuurder van de auto haar wil zoenen. Zij laat duidelijk merken hier niet van gediend te zijn. Zo schrijft ze onder andere aan [naam] : “Wtf hij wil me zoenen, [naam] oprecht, wtf”, “ [naam] , wtf, laat me zo bellen. Omg hou op met me” en “hij probeerde me te neuken”. De tijdstippen waarop deze berichten zijn verstuurd laten zien dat zij tijdens de autorit zijn verzonden, rondom het moment dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De aangeefster is immers iets voor 04.30 uur door de verdachte opgehaald. De berichten zijn verstuurd tussen 04.32 uur en 04.54 uur. Kort daarna werd de aangeefster door haar vriendin gebeld, toen zij al op het bankje zat.
3.4.5.
Dwang
Verkrachting, zoals strafbaar gesteld in artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), vereist dwang. Van dwingen door (bedreiging met) geweld of (bedreiging met) een andere feitelijkheid in de zin van dat artikel kan slechts sprake zijn indien de verdachte heeft veroorzaakt dat de aangeefster de in dat artikel bedoelde seksuele handelingen tegen de wil heeft ondergaan en dat de seksuele handelingen voor de aangeefster niet of nauwelijks te vermijden zijn geweest. De door de verdachte uitgeoefende dwang moet dus van voldoende kaliber zijn om de weerstand van het slachtoffer te breken. Dwang in de vorm van de in artikel 242 (oud) Sr bedoelde “andere feitelijkheid” kan onder meer bestaan uit fysieke handelingen, het aanwenden van gezag of overwicht en het brengen in een afhankelijkheidssituatie. Van dwingen kan echter niet alleen sprake zijn als verzet gebroken wordt door een van die situaties, maar ook als het onverhoedse karakter van het handelen van de verdachte het slachtoffer overvalt en verzet voorkomt. De delictshandeling en het aanwenden van dwang door middel van een feitelijkheid kunnen dan samenvallen. Het overvalkarakter van het ontuchtig handelen levert dan de in artikel 242 (oud) Sr bedoelde dwang op.
Uit de verklaringen van de aangeefster zoals die hierboven zijn besproken, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte
onverhoeds en onverwachts heeft gehandeld. De aangeefster was op de verrichte seksuele
handelingen in het geheel niet bedacht en hoefde dit, naar het oordeel van de rechtbank, ook niet te zijn. Uit niets blijkt dat sprake was van een situatie waaruit de verdachte zou hebben
mogen afleiden dat het gewenst was wat hij deed. Hij heeft gevraagd of zij wilde zoenen, waarop zij antwoordde dat ze gewoon naar huis wilde. Hij heeft haar vervolgens toch gezoend. De aangeefster bleef herhalen dat zij naar huis wilde. Toen hij vervolgens met zijn hand in haar broek ging en haar vingerde, wist zij niet wat zij moest doen en was zij in shock.
Nu voornoemde seksuele handelingen voor de aangeefster onverwacht waren en zij zich naar eigen zeggen in shocktoestand bevond, bang was en zich niet durfde te verzetten, waren die voor haar onvermijdelijk.
Ook het fysieke en leeftijdsgebonden overwicht van de verdachte op het slachtoffer maakte dat zij niet in staat was om zich tegen hem te verzetten anders dan door de woorden die zij in eerste instantie heeft geuit. De verdachte was een zesendertigjarige man. De aangeefster was nog maar net negentien jaar oud geworden. Zij was onder invloed van alcohol, waardoor zij minder goed in staat was om voor zichzelf op te komen. Bovendien bevond zij zich midden in de nacht in zijn auto, op een door hem bepaalde afgelegen plek en was zij daardoor ook nog afhankelijk van hem om thuis te komen.
Gelet op al het voorgaande is het causaal verband tussen de feitelijkheden en de handelingen die aangeefster heeft moeten ondergaan gegeven en is naar het oordeel van de rechtbank sprake van dwang als bedoeld in artikel 242 (oud) Sr.
3.4.6
Conclusie
Gelet op de hiervoor genoemde vaststellingen en het gegeven dat de rechtbank de verklaring van aangeefster als uitgangspunt neemt, schuift de rechtbank de verklaring van de verdachte dat het – kort gezegd – ging om vrijwillig zoenen en strelen, terzijde. Dat de aangeefster toestemming zou hebben gegeven voor het zoenen, verhoudt zich niet met de hiervoor genoemde chatberichten die aangeefster in de auto naar haar vriendin heeft gestuurd. Ook de verklaring van de verdachte dat de aangeefster op een normale, rustige manier is uitgestapt strookt niet met de verklaring van de getuige [getuige] die de aangeefster vlak na het uitstappen uit de auto volledig overstuur aantrof op een bankje. Dit komt ook niet overeen met de verklaring van de vriendin van de aangeefster, die haar in paniek en overstuur aan de telefoon had.
Daarbij acht de rechtbank het van belang dat de verdachte niet direct openheid van zaken heeft gegeven. Pas nadat de resultaten van het DNA onderzoek bekend werden en hij daarvan kennis had genomen, heeft hij een verklaring afgelegd wat er volgens hem zou zijn gebeurd. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat hij zijn verklaring daar op belangrijke onderdelen heeft afgestemd.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 30 juni 2024 te Koudekerk aan den Rijn, gemeente Alphen aan den Rijn,
door een andere feitelijkheid, te weten door:
- misbruik te maken van zijn overwicht als bestuurder van de auto terwijl hij wist dat die [aangeefster] graag naar huis wilde en daarvoor van hem, verdachte, afhankelijk was en
- misbruik te maken van het feit dat die [aangeefster] dronken was en (gelet op de toestand waarin die [aangeefster] zich bevond) voor haar onverhoeds te handelen en
- voorbij te gaan aan de verbale uitingen van verzet door die [aangeefster] ,
[aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster] , te weten
- het tongzoenen van die [aangeefster] en
- het betasten van de borsten van die [aangeefster] en
- het brengen en vervolgens heen en weer bewegen van een of meer van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [aangeefster] en
- het betasten/wrijven tussen/over de schaamlippen en over de blote vagina van die [aangeefster] .

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 32 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en verplichte ambulante behandeling.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Terugkeer naar de gevangenis zou niet alleen schadelijk zijn voor de verdachte zelf en zijn financiële situatie, maar ook voor zijn gezin. De raadsman verzoekt de eventueel op te leggen straf desnoods aan te vullen met een taakstraf en een voorwaardelijk deel. Wat betreft eventuele bijzondere voorwaarden refereert hij zich aan het oordeel van de rechtbank. De verdachte is bereid om aan alle voorwaarden mee te werken.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een negentienjarige vrouw, door haar in zijn auto zonder haar toestemming te zoenen, haar borsten te betasten, met zijn hand in haar broek te gaan en haar te vingeren. Het slachtoffer betrof een jonge vrouw die net haar negentiende verjaardag had gevierd. Zij was onder invloed en heeft aan verdachte gevraagd of hij haar naar huis kon brengen en zij was daarbij – ten onrechte - in de veronderstelling dat de verdachte een taxi- of Uberchauffeur was. De verdachte heeft vervolgens op berekenende wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de aangeefster in hem stelde en van de kwetsbare positie waarin zij zich verkeerde. Door zo te handelen heeft de verdachte een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke, psychische en seksuele integriteit van het slachtoffer. Verkrachting is een schokkende, ingrijpende en beangstigende gebeurtenis die vaak langdurig fysieke en psychische gevolgen heeft voor het slachtoffer. De verdachte heeft daarbij totaal niet stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld. Bovendien heeft hij op geen enkele manier verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Hij blijft ontkennen dat hij het slachtoffer heeft gevingerd en blijft volhouden dat alles met volledige wederzijdse instemming is gebeurd. In gesprek met de reclassering zegt de verdachte bovendien dat het slachtoffer hem had moeten tegenhouden als ze het niet had gewild. De verdachte miskent op die manier het bestaan van veelvoorkomende angstreacties bij verkrachtingen, zoals bevriezen of ‘pleasen’ ter voorkoming van erger. De rechtbank rekent de verdachte dit alles zwaar aan.
Dat de verkrachting in onderhavige zaak veel impact heeft gehad op het slachtoffer, blijkt onder meer uit haar aangifte en haar verklaring bij de rechter-commissaris. Zij heeft het eerste half jaar veel last gehad van herbelevingen en ze sliep slecht. Ruim een jaar na dato durfde zij nog steeds geen taxi’s te nemen zonder iemand aan de telefoon te hebben. Ook schrikt zij nog steeds van aanrakingen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit niet is veroordeeld voor andere strafbare feiten.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 21 mei 2025. Het recidiverisico kan niet worden ingeschat door de ontkennende houding van de verdachte. Desalniettemin ziet de reclassering wel indicaties voor een behandeling gericht op het (h)erkennen van grenzen van anderen en psycho-educatie aangaande de verschillende angstreacties bij personen. Zowel in gesprek met de reclassering als ter terechtzitting heeft de verdachte laten blijken het normaal te vinden iemand te strelen wanneer er wordt gezoend, ook in de broek. Hij vindt niet dat hij daarvoor apart toestemming hoeft te vragen, maar zegt dat dat automatisch gaat. De verdachte lijkt daarbij niet in te zien dat daarbij een onderscheid gemaakt kan worden tussen de situaties waarin hij met zijn partner is of met een geheel onbekende. Bovendien zou een dame het wel zeggen of zijn hand tegenhouden als ze het niet had gewild, aldus de verdachte. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en verplichte ambulante behandeling.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor artikel 242 (oud) Sr. Daarin is als uitgangspunt voor een verkrachting met een beperkte mate van dwang vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank betrekt de relatief beperkte aard en de duur van de gedragingen bij haar oordeel. Ook weegt mee dat niet is gebleken dat er door de verdachte andersoortig fysiek geweld is gebruikt. Bovendien is niet gebleken dat de verdachte zijn fysieke overwicht doelbewust heeft ingezet om de aangeefster de weg naar buiten de auto te blokkeren.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De hierboven genoemde omstandigheden vormen wel aanleiding om een straf van een iets kortere duur op leggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en de kans op recidive terug te dringen.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en het meewerken aan een intake bij de Waag en aan de op basis daarvan eventueel noodzakelijk geachte ambulante behandeling.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
verkrachting;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een
gedeelte van die straf, groot
8 maanden,
niet zal worden tenuitvoergelegdonder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij
op drie jaren vastgestelde proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de
bijzondere voorwaardendat de veroordeelde:
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH te Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. De
reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
- meewerkt aan een intake bij de Waag of een soortgelijke zorgverlener, en zich onder behandeling stelt van die zorginstelling, indien en voor zover de reclassering en die zorginstelling dat noodzakelijk achten;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Rootring, voorzitter,
mr. J. Schaaf, rechter,
mr. R. Wieringa, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2026.