Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 26 september 2024 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 19 november 2025 in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet tijdig heeft beslist en dat eiser recht heeft op een besluit binnen een door de rechtbank gestelde termijn. Omdat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven, moet de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor afnemen en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 467,- aan eiser. De rechtbank wijst erop dat de wettelijke bepalingen omtrent bestuurlijke dwangsommen in vreemdelingenzaken sinds 15 april 2025 niet meer van kracht zijn, waardoor de hoogte van reeds verbeurde dwangsommen niet kan worden vastgesteld.