Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11462

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL26.15100 en 26.15101
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 30, eerste lid Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen wegens Dublinverordening en Zweden

Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de minister van Asiel en Migratie waarin hun asielaanvragen niet in behandeling zijn genomen omdat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank beoordeelt dat Nederland op 6 november 2025 een verzoek tot terugname aan Zweden heeft gedaan, waarop Zweden niet tijdig reageerde, waardoor op 7 januari 2026 een fictief claimakkoord tot stand kwam. Eisers betogen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Zweden niet langer geldt vanwege problemen in het Zweedse asielstelsel, maar de rechtbank oordeelt dat het aangehaalde AIDA-rapport geen structurele tekortkomingen aantoont die de hoge drempel van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro bereiken.

Eisers stellen ook dat bijzondere individuele omstandigheden, zoals de psychische toestand van minderjarige kinderen en hun schoolgang in Nederland, een discretionaire bevoegdheid van Nederland tot aanhouding van de asielaanvraag rechtvaardigen. De rechtbank vindt dat de minister dit zorgvuldig heeft afgewogen en dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat overdracht aan Zweden onevenredige hardheid oplevert.

Ten slotte wijst de rechtbank erop dat binnen de Dublinprocedure niet kan worden beoordeeld of indirect refoulement dreigt bij overdracht aan Zweden, tenzij het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer geldt, wat hier niet het geval is.

De rechtbank verklaart de beroepen kennelijk ongegrond en bevestigt de besluiten tot niet in behandeling nemen van de asielaanvragen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen wegens verantwoordelijkheid van Zweden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.15100 en NL26.15105

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam],

V-nummer: [nummer]

[naam],

V-nummer: [nummer]
mede namens de minderjarige kinderen:

[naam],

V-nummer: [nummer]

[naam],

V-nummer: [nummer]
tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 18 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de aanvragen.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] uitspraak zonder zitting.
1.2.
De verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen staan geregistreerd onder de zaaknummers NL26.15101 en NL26.15106. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart de beroepen kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en de besluiten tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU [2] heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [3] . Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [4] In dit geval heeft Nederland op
6 november 2025 bij Zweden een verzoek om terugname gedaan. Zweden heeft niet tijdig op dit verzoek gereageerd, waardoor er op 7 januari 2026 een fictief claimakkoord tot stand is gekomen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eisers betogen dat ten aanzien van Zweden niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Onder verwijzing naar het meest recente AIDA-rapport [5] stellen eisers dat zij bang zijn bij terugkeer naar Zweden direct te worden aangehouden en vastgezet.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling [6] heeft dit voor Zweden bevestigd in de uitspraken van 14 oktober 2024 [7] en 23 juni 2025 [8] . Dit betekent dat de minister er in beginsel vanuit mag gaan dat Zweden zijn internationale verplichtingen tegenover eisers zal nakomen en dat de behandeling van eisers in Zweden niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM [9] en artikel 4 van Pro het Handvest [10] . Het is aan eisers om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Zweden, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Zweedse autoriteiten, een reëel risico lopen op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in geval eisers aannemelijk maken dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het door eisers aangehaalde AIDA-rapport niet worden afgeleid dat er in Zweden zodanige problemen zijn met betrekking tot de toegang tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen, dat sprake is van structurele tekortkomingen die de hoge drempel van zwaarwegendheid van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest bereiken.
Bijzondere individuele omstandigheden
6. Eisers voeren aan dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan Nederland hun asielaanvragen aan zich moet trekken. De minderjarige kinderen zouden hierdoor hun rust behouden en zich niet weer onveilig gaan voelen. Ook staat één van de dochters onder behandeling bij een psycholoog, en zitten de kinderen al meer dan een half jaar in Nederland op school. Eisers zijn van mening dat de belangen van de kinderen onvoldoende zijn betrokken in de besluitvorming.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. De minister maakt van deze bevoegdheid gebruik als sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Het is aan eisers om dergelijke omstandigheden aannemelijk te maken.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers hierin niet zijn geslaagd. De minister heeft in het bestreden besluit gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening en heeft hierbij de belangen van de (minderjarige) kinderen voldoende meegewogen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Situatie in Pakistan
7. Eisers stellen in Pakistan een hele onveilige situatie te hebben meegemaakt, en bij terugkeer naar Pakistaan te vrezen voor ernstige problemen. Voor zover eisers hiermee stellen dat zij bij overdracht aan Zweden vrezen voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof [11] van 30 november 2023 [12] en de Afdeling van
12 juni 2024 [13] . Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 5.2. is overwogen kan ten aanzien van Zweden nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Zweden een risico is op indirect refoulement.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Europese Unie.
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.AIDA Country Report: Sweden 2024, update mei 2025.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
10.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
11.Europese Hof van Justitie.
12.ECLI:EU:C:2023:934.