ECLI:NL:RBDHA:2026:11447
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 21 januari 2026. De beoordeling richtte zich op de periode daarna tot 8 april 2026.
Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering was en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde, onder meer door het niet onderzoeken van documenten en het niet benaderen van Algerijnse autoriteiten. De rechtbank oordeelde dat de korte duur van de bewaring en lopende procedures rondom medische omstandigheden en laissez-passer aanvraag dit niet rechtvaardigen. Ook was de inspanning van verweerder voldoende.
Daarnaast stelde eiser dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn psychische gesteldheid en het uitblijven van behandeling van een voorlopige voorziening. De rechtbank vond geen aanleiding voor een ander oordeel dan in de eerdere uitspraak en concludeerde dat de beschikbare zorg toereikend is.
De rechtbank voerde ambtshalve toetsing uit conform het arrest van het Hof van Justitie van de EU en vond geen onrechtmatigheid. Er was geen sprake van belemmering van familie- en gezinsleven of non-refoulement. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.