ECLI:NL:RBDHA:2026:11438
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Marokko
Eiseres, een Marokkaanse nationaliteit houdende vrouw, vroeg op 6 juli 2023 een visum voor kort verblijf aan om haar vriendin in Nederland te bezoeken. Verweerder wees de aanvraag af wegens onvoldoende aantoonbaar doel en omstandigheden van het verblijf en redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren naar Marokko.
Eiseres voerde aan dat het onderzoek door verweerder onzorgvuldig was en dat verweerder onvoldoende rekening hield met de Visumcode en jurisprudentie van het Hof van Justitie EU. Zij stelde dat zij haar sociale en economische binding met Marokko had aangetoond, onder meer met documenten over haar werkzaamheden als kapster (zzp’er) en zorg voor haar moeder.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht van het horen van eiseres kon afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Verweerder mocht zich baseren op het ontbreken van voldoende bewijs van een sterke sociale en economische binding. De overgelegde documenten boden onvoldoende objectief bewijs van een substantieel en regelmatig inkomen en van exclusieve zorg voor haar moeder. De rechtbank volgde verweerder in zijn redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om tijdig terug te keren.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van sociale en economische binding en redelijke twijfel over tijdige terugkeer.