Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11404

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL26.23644
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 67 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 5 Richtlijn 2008/115ECLI:EU:C:2025:647
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring voor Unieburger in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 24 april 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Duitse Unieburger, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd gerechtvaardigd vanwege risico's op het ontwijken van toezicht en belemmering van de uitzettingsprocedure, met zowel zware als lichte gronden.

Eiser betwistte de gronden voor de maatregel niet, maar voerde aan dat de maatregel niet getoetst was aan het beginsel van non-refoulement en aan artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115. De rechtbank oordeelde dat dit niet van toepassing is op Unieburgers en dat de minister niet verplicht was deze toets uit te voeren.

De rechtbank concludeerde dat de gronden voor de maatregel voldoende zijn en dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig is. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23644

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. B. Snoeij,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Duitse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. Eiser heeft de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat niet gecontroleerd kan worden of bij het totstandkomen van het terugkeerbesluit rekening is gehouden met het bepaalde in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115, althans met de daarin genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement. De rechtbank verstaat dit als een beroep op het door het Hof dit in het arrest van 4 september 2025 in de zaak Adrar [1] gegeven oordeel.
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Eiser gaat er aan voorbij dat de terugkeerrichtlijn en het arrest Adrar betrekking hebben op de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu eiser Unieburger is. De minister was dan ook niet gehouden om de maatregel van bewaring te toetsen aan het beginsel van non-refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van
bewaring onrechtmatig is. [2]
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2025:647.
2.ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2026:148.