Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11400

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL26.25916 en NL26.25918
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen overdracht op grond van Dublinverordening

Verzoekers, met de Russische nationaliteit, hebben een voorlopige voorziening gevraagd om hun overdracht aan Kroatische autoriteiten te voorkomen, zodat zij de behandeling van hun verzet tegen de afwijzing van hun asielaanvragen in Nederland kunnen afwachten.

De rechtbank had eerder de beroepen van verzoekers tegen de niet-inhoudelijke behandeling van hun asielaanvragen gegrond verklaard, waarna zij verzet hebben ingesteld. Verzoekers stelden dat onvoldoende is onderzocht wat de gevolgen van de overdracht zijn voor medische problemen van een van hen en overleg hierover met Kroatië noodzakelijk is.

De minister van Asiel en Migratie stelde dat er geen spoedeisend belang is omdat de overdracht vrijwillig is en verzoekers zelf kunnen kiezen of zij meewerken. De voorzieningenrechter oordeelde dat op dit moment geen sprake is van een spoedeisend belang en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om overdracht aan Kroatië te voorkomen wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.25916 en NL26.25918

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer 1] , verzoekster,

en
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer 2] , verzoeker,
hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke besluiten van 2 maart 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van verzoekers niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Bij uitspraak van 17 april 2026 heeft de rechtbank de beroepen van verzoekers hiertegen met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Awb [1] ongegrond verklaard.
Verzoekers hebben bij bericht van 6 mei 2026 tegen deze uitspraak verzet gedaan. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat zij de behandeling van het verzet in Nederland mogen afwachten.
Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Ook tijdens een verzetsprocedure als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Awb kan een voorlopige voorziening worden verzocht. [2]
2. Verzoekers stellen te zijn geboren op [geboortedag 1] 1974 respectievelijk [geboortedag 2] 2006 en de Russische nationaliteit te hebben. Op 11 mei 2026 om 14:35 uur worden verzoekers door verweerder gefaciliteerd in een overdracht aan de Kroatische autoriteiten in het kader van de Dublinverordening. [3] Verzoekers hebben verzocht een voorlopige voorziening te treffen om hun overdracht te voorkomen, zodat zij de uitspraak op hun verzetschrift in Nederland kunnen afwachten. Verder menen verzoekers, kort weergegeven, dat onvoldoende in kaart is gebracht wat de gevolgen zullen zijn van de overdracht voor de medische problemen van verzoeker. Zij hebben daartoe de medische journalen van verzoeker overgelegd. Het is van belang dat voorafgaand aan de overdracht met de Kroatische autoriteiten wordt gecommuniceerd hierover. Er moet beoordeeld worden of er voor verzoeker behandeling beschikbaar en toegankelijk is in Kroatië.
3. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoekers niet gedwongen worden overgedragen. Subsidiair stelt verweerder dat het verzet geen redelijke kans van slagen heeft. In het verzetschrift zijn geen stellingen naar voren gebracht die niet reeds in beroep zijn ingebracht of hadden kunnen worden ingebracht en die niet tot de conclusie hadden hoeven leiden dat er geen sprake was van een kennelijk ongegrond beroep.
4. De voorzieningenrechter stelt op basis van het verweerschrift vast dat verweerder op dit moment niet voornemens is om verzoekers gedwongen over te dragen. De aangekondigde vluchtgegevens zien uitsluitend op het faciliteren van een vrijwillig vertrek naar Kroatië. Verweerder heeft in het verweerschrift aangegeven dat verzoekers de zelfstandige keuze hebben of zij medewerking zullen verlenen aan die overdracht. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment dan ook geen sprake is van een spoedeisend belang, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 december 2004,
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.