Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11397

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL26.23688
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 59b lid 1 onder c VwArt. 50a lid 1 VwDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie legde op 22 april 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 7 mei 2026.

Eiser betwistte onder meer de rechtmatigheid van de staandehouding en de toepassing van zware gronden voor de maatregel. De rechtbank oordeelde dat de staandehouding rechtmatig was op basis van artikel 50a, eerste lid, Vw. De zware grond dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze was binnengekomen werd als feitelijk juist vastgesteld. De lichte gronden, waaronder het niet naleven van verplichtingen en het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, werden niet betwist.

Eiser voerde aan dat een lichter middel passend zou zijn vanwege medische omstandigheden en zijn medewerking aan overdracht naar Zwitserland. De rechtbank vond echter dat het risico op onderduiken en eerdere terugkeer naar Nederland na overdracht een lichter middel niet rechtvaardigden. De minister had de gezondheidssituatie voldoende betrokken. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23688

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

gemachtigde: mr. M. Pater,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: drs. J.P.M. Wuite.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Essebai. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
2.1
De minister heeft de zware grond 3m ter zitting laten vallen.
3. Eiser stelt dat de staandhouding onrechtmatig is, nu de staandehouding is gebaseerd op verdenking van overtreding artikel 59b lid 1 onder c van de vreemdelingenwet 2000. Hiervan is volgens eiser geen sprake.
3.1
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het proces-verbaal van staandehouding van 22 april 2026 blijkt dat eiser uiteindelijk is staandegehouden op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw. Van een onrechtmatige staandehouding is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser heeft de zware grond 3a betwist.
4.1
De rechtbank stelt vast dat de zware grond 3a feitelijk juist is, omdat eiser bij binnenkomst in Nederland niet beschikte over een geldig grensoverschrijdingsdocument. Dat eiser als asielzoeker Nederland is binnengekomen doet daar niet aan af. De zware grond 3a kon dan ook aan de bewaringsmaatregel ten grondslag worden gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware grond 3a en de niet betwiste lichte gronden voldoende om
de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan, gelet op de medische omstandigheden. Eiser zal meewerken aan overdracht naar Zwitserland.
5.1
De rechtbank overweegt dat gelet op de gronden die terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en het bestaan van een significant risico op onderduiken, de minister terecht ervan uitgegaan is dat eiser niet uit eigen beweging naar Zwitserland zal vertrekken. Een lichter middel volstaat daarom niet om de overdracht van eiser binnen zes maanden te verzekeren. Daarbij heeft de minister kunnen overwegen dat eiser al meerdere malen aan Zwitserland is overgedragen, maar steeds weer terugkeert naar Nederland. Verder heeft de minister de gezondheidssituatie van eiser voldoende betrokken bij de oplegging van de maatregel van bewaring en hierin geen aanleiding hoeven zien voor het opleggen van een lichter middel. De minister heeft daarbij gewezen op de medische dienst van het detentiecentrum. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van
bewaring onrechtmatig is. [1]
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2022:858.