Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 25 november 2024 ontvangen, waarna de minister zes maanden had om te beslissen. Eiser stelde de minister op 7 november 2025 in gebreke en diende daarna beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De minister had aanvankelijk de beslistermijn verlengd met negen maanden, maar deze verlenging is ingetrokken, waardoor de termijn weer zes maanden bedraagt. De rechtbank legt een nadere beslistermijn op: binnen acht weken na verzending van het vonnis moet de minister een gehoor afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,- vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier M.H.G.P. Tober op 8 januari 2026.