ECLI:NL:RBDHA:2026:11346
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na besluit op bezwaar
Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen bij besluit van 31 december 2024. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, waarna de minister op 12 augustus 2025 op het bezwaar heeft beslist.
Verzoeker heeft vervolgens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek beoordeeld zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechter oordeelde dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen ontvankelijk is indien er een bezwaar of beroep aanhangig is. Omdat het bezwaar reeds is afgehandeld en er geen beroep is ingesteld binnen de wettelijke termijn, is het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar is afgehandeld en er geen beroep is ingesteld.