Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11346

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
AWB 25/586
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid na besluit op bezwaar

Verzoeker heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen bij besluit van 31 december 2024. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, waarna de minister op 12 augustus 2025 op het bezwaar heeft beslist.

Verzoeker heeft vervolgens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek beoordeeld zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De rechter oordeelde dat een verzoek om voorlopige voorziening alleen ontvankelijk is indien er een bezwaar of beroep aanhangig is. Omdat het bezwaar reeds is afgehandeld en er geen beroep is ingesteld binnen de wettelijke termijn, is het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar is afgehandeld en er geen beroep is ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/586

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

V-nummer: [V-nummer] ,
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

1. Bij besluit van 31 december 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen.
2. Verzoeker heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
3. Op 12 augustus 2025 heeft verweerder op het bezwaar beslist.
4. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

5. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is een verzoek om een voorlopige voorziening alleen mogelijk als er ook een bezwaar (of beroep) aanhangig is.
6. Aangezien verweerder al op het bezwaar heeft beslist, is er geen bezwaar meer aanhangig. Evenmin is er beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar, terwijl de termijn daarvoor, bedragende vier weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar, inmiddels is verlopen. Er kan geen toepassing kan worden gegeven aan artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb (het aanmerken van een verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar als een verzoek om voorlopige voorziening hangende beroep).
7. Het verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 7 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Hiddouch, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.