Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11310

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/09/674970 / FA RK 24-7800
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 lid 6 RvArt. 1:402 BWArt. 3 Protocol 23-11-2007Art. 4 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen over zorg, alimentatie, huurrecht en verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd sinds 2008 en hebben twee minderjarige kinderen. De rechtbank heeft op 10 april 2026 de echtscheiding uitgesproken wegens duurzame ontwrichting van het huwelijk. De hoofdverblijfplaats van de kinderen wordt vastgesteld bij de vrouw, met een zorgregeling waarbij de man contactmomenten krijgt, inclusief overnachtingen zodra hij een eigen woning heeft.

De rechtbank heeft de kinderalimentatie vastgesteld op €337 per maand, gebaseerd op de draagkracht van partijen en de behoefte van de kinderen. De vrouw krijgt het huurrecht van de echtelijke woning toegewezen. De verdeling van de huwelijksgemeenschap vindt plaats volgens het Nederlandse recht, waarbij de man de onderneming en de Volkswagen Caddy behoudt, de vrouw de Ford Fiesta en een deel van de inboedel. Spaargeld en bankrekeningen worden bij helfte verdeeld.

De rechtbank heeft geen uitspraak gedaan over een betwist appartement in Marokko vanwege onvoldoende bewijs. Schulden bij de Belastingdienst worden gelijkelijk gedragen. Beide ouders worden verwezen naar een traject voor ouderschapsbemiddeling om de communicatie te verbeteren. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met ieder zijn eigen proceskosten.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met hoofdverblijfplaats bij vrouw, zorgregeling en kinderalimentatie vastgesteld, huurrecht en huwelijksgemeenschap verdeeld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7800 (echtscheiding)
FA RK 25-7732 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/674970 (echtscheiding)
C/09/692981 (verdeling)
Datum beschikking: 10 april 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 30 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Bagci-Çiçek te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Ben Touhami te Amersfoort.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 5 november 2024 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 15 november 2024 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het F9-formulier van 16 december 2024 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken;
  • het F9-formulier van 27 januari 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 21 februari 2025 van de zijde van de man;
  • het verweerschrift op zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 21 maart 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 18 april 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 14 juni 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 4 augustus 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 1 september 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 29 september 2025 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het F9-formulier van 3 maart 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het F9-formulier 3 maart 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • de F9-formulieren van 3 maart 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 11 maart 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het bericht van 11 maart 2026 van de zijde van de vrouw.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in raadkamer hun mening kenbaar gemaakt
.
Op 13 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man met zijn advocaat;
  • de vrouw met haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [dag] 2008 in [plaats 1] (Marokko).
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] .
  • De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit.
  • Deze rechtbank heeft op 8 november 2024 voorlopige voorzieningen getroffen – voor zover van belang – inhoudende:
- dat de minderjarigen aan de vrouw worden toevertrouwd;
- een voorlopige zorgregeling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de man;
- dat de man aan de vrouw met ingang van 1 oktober 2024 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal betalen van € 608,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [adres 1] met het beval dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de vrouw;
  • vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in die zin dat:
- [minderjarige 2] iedere woensdag en vrijdag van 15.00 uur tot 18.00 uur en zondag van 09.30 uur tot 18.30 uur bij de man is, waarbij de man haalt en brengt;
- [minderjarige 1] op een door [minderjarige 1] nader te bepalen moment en op zaterdagochtend naar de voetbal bij de man is, waarbij de man brengt en haalt;
- alle (school)vakanties en feestdagen zullen in onderling overleg tussen partijen verdeeld worden;
  • vaststelling van kinderalimentatie van € 25,- per maand, per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
  • toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning;
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – onder referte voor de verzoeken ten aanzien van de echtscheiding, de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het huurrecht – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht om de echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
  • vaststelling van een kinderalimentatie van € 627,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van datum indiening verzoekschrift;
  • veroordeling van de man om de doorzendservice voor de post van de vrouw en de kinderen te beëindigen, en hem te verbieden gebruik te maken van deze service op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft;
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform haar voorstel;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
Op grond van artikel 815, zesde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt het overleggen van een ouderschapsplan als een processuele vereiste bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank kan een verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk verklaren indien een ouderschapsplan ontbreekt, tenzij aannemelijk is dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om een dergelijk plan over te leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat het voor de man op dit moment niet mogelijk is om een door beiden in zijn geheel akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank zal de man dan ook, ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling
De man en de vrouw hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De rechtbank zal daarom het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn.
De rechtbank zal overeenkomstig beslissen, nu ook niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen willen dat de zorgregeling zoals die in de voorlopige voorzieningenprocedure is bepaald, vastgelegd wordt als definitieve regeling. Daarbij zijn partijen het erover eens dat deze regeling uitgebreid wordt, met overnachtingen, op het moment dat de man een eigen woning heeft gevonden. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.
Op de zitting is duidelijk geworden dat de communicatie tussen de ouders niet goed gaat. De man communiceert het liefst helemaal niet met de vrouw, terwijl de vrouw het juist belangrijk vindt om zaken over de kinderen met elkaar te bespreken. Er is daarom met de ouders gesproken over de mogelijkheid van het deelnemen aan een traject om de communicatie tussenbeide te verbeteren. Beide ouders hebben vervolgens de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank zal de ouders bij eindbeschikking verwijzen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de hulpverleningsinstantie een (eind)rapportage over het verloop van het traject indient.
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum.
De rechtbank vindt het in dit geval redelijk dat de man de definitieve kinderalimentatie vanaf de datum van de beschikking betaalt, omdat er bij voorlopige voorzieningen al een kinderalimentatie bepaald is die in de tussentijd door de man is betaald.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom de behoefte vaststellen en rekenen met de tarieven van periode 2024-II, omdat dat het moment is dat partijen uit elkaar gingen en het verzoek tot echtscheiding indienden.
Voor het bepalen van de behoefte moet eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens het huwelijk worden bepaald.
De rechtbank gaat voor het NBI van de vrouw uit van een WIA-uitkering van € 13.753,- in 2023, zoals blijkt uit de aangifte inkomstenbelasting en de jaaropgave 2023. De rechtbank zal, anders dan in de voorlopige voorzieningenprocedure, geen rekening houden met inkomsten uit werkzaamheden als hulp in het huishouden. Niet is vast komen te staan dat deze werkzaamheden thans nog plaatsvinden. De rechtbank zal daarom alleen rekening houden met de WIA-uitkering.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen algemene heffingskorting, berekent de rechtbank haar NBI op het moment van het huwelijk op € 1.003,- per maand.
De rechtbank gaat voor het NBI van de man uit van een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2021 tot en met 2023, te weten [(59.668 + 39.871 + 56.110) / 3 =] € 51.883,-. De rechtbank zal ook aan de zijde van de man geen rekening houden met zwarte inkomsten, omdat niet voldoende is vast komen te staan welke werkzaamheden door hem verricht zouden moeten zijn en welk bedrag hij hiermee verdiend heeft.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de MKB-winstvrijstelling;
  • de zelfstandigenaftrek;
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank zijn NBI op het moment van het huwelijk op € 3.434,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2024 dus € 4.437,- per maand (€ 1.003,-
+€ 3.434,-). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 354,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.141,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.271,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een WIA-uitkering van € 15.817,- per jaar in 2025.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen algemene heffingskorting, berekent de rechtbank haar NBI in 2026 op € 1.942,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 50,- per maand voor twee of meer kinderen. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025. De gemiddelde winst uit onderneming bedraagt dan [(42.075 + 34.047 + 29.011) / 3 =] € 35.044,-.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de MKB-winstvrijstelling;
  • de zelfstandigenaftrek;
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank zijn NBI in 2026 op € 2.637,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [2.637 – (791 + 1.365)] = € 337,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 387,- per maand (€ 50,- + € 337,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 884,- per maand.
Zorgkorting
De rechtbank overweegt dat de man zo snel mogelijk een andere woning wil vinden, die geschikt is voor overnachting door de kinderen. De vrouw gaat hier ook van uit. De kinderen hebben aangegeven dat zij op dat moment dan daar willen blijven slapen, in de weekenden en de helft van de vakanties. De rechtbank vindt het daarom redelijk om uit te gaan van een zorgkorting van 25%.
De zorgkorting bedraagt dan € 318,- (25% van € 1.271,-).
Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de man. Partijen zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man een kinderalimentatie van
€ 337,- per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw moet voldoen.
Huurrecht echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw wordt toebedeeld. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.
De man heeft daarbij toegezegd dat hij de doorzendservice van de post zal wijzigen, in die zin dat alleen zijn eigen post doorgestuurd zal worden. De rechtbank behoeft op dat verzoek dus geen beslissing meer te nemen.
Verdeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels).
Omdat partijen gehuwd zijn op [dag] 2008, is op het huwelijksvermogensregime het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing (hierna: HVV 1978). Niet is gebleken dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
Omdat partijen geen rechtskeuze hebben uitgebracht vóór (artikel 3 HVV Pro 1978) of
tijdens (artikel 6 HVV Pro 1978) het huwelijk, moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van artikel 4 HVV Pro 1978. Vaststaat dat partijen hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk in Nederland hebben gevestigd. Op grond van het eerste lid van artikel 4 HVV Pro 1978 is het recht van de Staat van het eerste huwelijksdomicilie bepalend voor het tussen partijen geldende huwelijksregime. Het huwelijksgoederenregime van partijen wordt daarom beheerst door Nederlands recht.
Algehele gemeenschap van goederen
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd op [dag] 2008 waardoor moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte wordt verdeeld, nu het huwelijk is gesloten voor 1 januari 2018 (artikel 1:100 BW Pro).
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoek bij de rechtbank, namelijk 30 oktober 2024. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt in beginsel de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken.
Omvang
Door partijen is gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen in de wettelijke gemeenschap vallen:
inboedel;
auto’s;
bankrekeningen;
spaargeld;
onderneming [bedrijf 1] ;
garagebox ‘ [ruimte] ’ bij [bedrijf 2] ;
appartement in [plaats 2] (Marokko);
schuld bij de Belastingdienst.
Ad. a. inboedel
Partijen hebben op de zitting afgesproken dat de man, naast de goederen die hij al eerder uit de echtelijke woning had meegenomen, het koffiezetapparaat toebedeeld krijgt. De vrouw geeft het koffiezetapparaat de dag na de zitting aan hem. Partijen hebben ook afgesproken dat de vrouw de kachel en het kastje uit de garagebox ontvangt.
De rechtbank zal overeenkomstig beslissen. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de inboedel voor het overige verdeeld is, en dat zij daar geen beslissing meer over behoeft te nemen.
Ad. b. auto’s
Partijen hebben op hun naam drie auto’s staan die in de gemeenschap vallen. Een Volkswagen Caddy, Volkswagen Golf en Ford Fiesta.
De man en de vrouw zijn het erover eens dat de Volkswagen Caddy bij de onderneming hoort. De verdeling daarvan wordt in het navolgende opgenomen
.
De rechtbank zal bepalen dat de Volkswagen Golf wordt toebedeeld aan de man. De vrouw stelt dat de Golf € 8.000,- waard is, terwijl de Golf volgens de man € 4.350,- waard is. De rechtbank bepaalt, aan de hand van de ANWB-Koerslijst, in redelijkheid dat de waarde van de Golf € 5.000,- bedraagt. De man moet de helft hiervan verrekenen met de vrouw.
De Ford Fiesta zal de rechtbank toebedelen aan de vrouw, onder verrekening van de helft van de waarde. De waarde van € 1.500,- is niet betwist. Wel is door de vrouw gesteld dat voor de Ford Fiesta nog vorderingen open staan. Nu deze stelling niet met stukken is onderbouwd, zal de rechtbank aan deze stelling voorbij gaan.
Ad. c. bankrekeningen
De rechtbank zal, in overeenstemming met het verzoek van partijen, bepalen dat ieder zijn of haar eigen bankrekening behoudt, onder verrekening van de helft van het saldo per peildatum.
Ad. d. spaargeld
De man stelt dat hij maandelijks geld heeft overgemaakt naar de bankrekening van de vrouw, zodat zij voor hem kon sparen. De man verzoekt dit bedrag, van € 23.195,- aan hem toe te delen. De vrouw betwist het standpunt. Volgens haar is het gespaarde geld gebruikt voor de afbetaling van een woning in Marokko en de aanschaf van een inboedel daarvoor.
De rechtbank bepaalt, nu sprake is van een algehele gemeenschap van goederen, dat het aanwezige spaargeld per peildatum bij helfte moet worden verdeeld.
Ad. e. onderneming [bedrijf 1]
Partijen zijn het erover eens dat de man de onderneming toebedeeld zal krijgen, samen met de activa van de onderneming, waaronder de Volkswagen Caddy, en de (financiële) verplichtingen die hierbij horen, zonder nadere verrekening met de vrouw. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.
Ad. f. garagebox
Ten aanzien van de garagebox die partijen samen huurden, hebben zij afgesproken dat de man de huurovereenkomst zal overnemen. De vrouw zal meewerken aan het overzetten van het huurcontract. Daarbij hebben partijen afgesproken dat zij de betaalde borg zullen verdelen, de man zal in dat kader een bedrag van € 61,- aan de vrouw voldoen.
Ad. g. appartement [plaats 2]
De vrouw stelt dat er een appartement is in [plaats 2] , Marokko, dat van partijen samen is. Ter onderbouwing van deze stelling heeft zij kwitanties overgelegd met betrekking tot een appartement met nummer [nummer] , op de derde etage, in de derde wijk van [plaats 2] , behorend tot project [project] . Ook heeft ze electra rekeningen overgelegd die op de naam ‘ [de man] ’ staan, de naam van de man. Primair wil de vrouw uitgekocht worden uit het appartement. Subsidiair wil ze dat het appartement verkocht wordt en dat partijen de opbrengst hiervan delen.
De man betwist dat sprake is van een appartementsrecht dat in de gemeenschap valt. De man stelt dat de door de vrouw overgelegde foto’s vervalste documenten betreffen. De man heeft aangegeven hierover een procedure te gaan starten in Marokko. De eigendomsakte die door de vrouw is overgelegd staat niet op zijn naam, maar op de naam van zijn broer, dus dat is niet een woning die in de gemeenschap valt. De man vindt daarom dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen.
Zoals ter zitting besproken zal de rechtbank geen uitspraak doen over bestaan van het appartement in [plaats 2] , gelet op de haaks op elkaar staande stellingen. De rechtbank overweegt hierbij dat er geen inschrijving op naam van een van partijen in het Marokkaanse Kadaster is, althans daarvan is niet gebleken. Naast dat er geen bewijs is dat er onroerend goed in de registers op naam van (een van) partijen staat, is niet onderbouwd dat het in Marokko anders is geregeld met het Kadaster, zoals door de vrouw aangevoerd. De rechtbank acht het weliswaar een aanwijzing in het voordeel van de vrouw dat er kwitanties zijn, maar die zijn gedateerd, te weten uit 2015 en 2016, en zeggen dus niets over de situatie per de peildatum. De facturen voor water en electra zijn wel recent, maar het is onduidelijk of het adres waarop die rekeningen betrekking hebben het adres is van het appartement dat volgens de vrouw in de gemeenschap valt. Tot slot is er een overschrijving van een appartement op de naam van de broer. Daarvan is niet aangetoond op wiens naam dat appartement voor de overschrijving stond.
Alles overwegende is voor de rechtbank ondanks de genoemde aanwijzingen onvoldoende komen vast te staan dat per peildatum het gestelde appartement in de gemeenschap valt.
De rechtbank stelt overigens vast – mede in het licht van een eventuele volgende procedure in Marokko - dat de man heeft erkend dat als er een appartement is op het adres dat blijkt uit de door de vrouw overlegde kwitanties, en dit per de peildatum in de gemeenschap valt (zoals de vrouw stelt), partijen dit appartement dienen te verkopen, en dat ieder de helft van de opbrengst minus de verkoopkosten toekomt.
Ad. h. schuld bij de Belastingdienst
De man heeft van de Belastingdienst begrepen dat er nog vorderingen openstaan. Hij verzoekt te bepalen dat de vrouw draagplichtig is voor de helft van die bedragen.
De rechtbank stelt voorop dat schulden niet voor verdeling in aanmerking komen omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 BW Pro. Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)partners tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW Pro.
In de onderlinge verhouding tussen partijen geldt op grond van artikel 1:100 BW Pro het volgende. Voor zover bij de echtscheiding de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze schulden door beide (ex)echtgenoten voor een gelijk deel gedragen, tenzij schriftelijk anders is overeengekomen of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid – mede in verband met de aard van de schulden – een andere draagplicht voortvloeit. Als één van de (ex)echtgenoten wordt aangesproken door een schuldeiser en hierdoor meer heeft bijgedragen in de schuld dan het gedeelte dat hem of haar aangaat, dan heeft hij of zij voor dit meerdere op grond van artikel 6:10 BW Pro een regresrecht op de andere (ex)echtgenoot.
De rechtbank zal daarom vastleggen dat partijen ten aanzien van de belastingschuld in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn.
Proceskosten
Aangezien het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [dag] 2008 te [plaats 1] (Marokko);
*
bepaalt dat de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] ,
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats] ,
de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] samen met de man afspraken maakt over contactmomenten;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 2] bij de man zal zijn:
  • iedere woensdag en vrijdag van 15:00 uur tot 18:00 uur alsmede iedere zondag van 09:30 uur (naar Arabische les) tot 18:30 uur;
  • waarbij de man [minderjarige 2] ophaalt en weer terugbrengt bij de vrouw;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de man] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
en
[de vrouw] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling / Parallel (solo) ouderschap en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:
- Kenniscentrum Kind en Scheiding, [adres 2] ;
stelt vast dat de ouders bij eindbeschikking zijn verwezen naar het hulpverleningstraject, zodat het niet nodig is dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 337,- per maand zal betalen, te weten € 168,50 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de huurster zal zijn van de woonruimte aan de [adres 1] ;
*
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. de inboedel van partijen wordt verdeeld in die zin dat het koffieapparaat toekomt aan de man, en het kastje en de kachel uit de garagebox aan de vrouw, zonder nadere verrekening;
2. de Volkswagen Golf wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 5.000,- onder de verplichting de helft van de waarde – te weten € 2.500,- – aan de vrouw te voldoen;
3. de Ford Fiesta wordt toegedeeld aan de vrouw, tegen een waarde van € 1.500,- onder de verplichting de helft van de waarde – te weten € 750,- – aan de man te voldoen;
4. de bankrekeningen van de man zullen worden toegedeeld aan de man, de bankrekeningen van de vrouw zullen worden toegedeeld aan de vrouw, waarbij de saldi op die rekeningen per peildatum bij helfte dienen te worden verdeeld;
5. het op de peildatum aanwezige spaargeld moet tussen partijen bij helfte worden verdeeld;
6. de onderneming [bedrijf 1] wordt aan de man toegedeeld, inclusief de activa en de daarbij behorende verplichtingen, zonder nadere verrekening;
7. de huurovereenkomst van de garagebox wordt door de man voortgezet, onder de verplichting om een bedrag van € 61,- aan de vrouw te voldoen;
8. partijen zijn ten aanzien van de schuld aan de belastingdienst in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 10 april 2026.