Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11289

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/09/696508 / HA RK 25-749
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker geboren in Palestijnse Gebieden en Syrië

Verzoeker, geboren in 1993 in een land in de Palestijnse Gebieden, heeft een verblijfsvergunning asiel in Nederland en verzoekt de rechtbank om zijn staatloosheid vast te stellen. De rechtbank baseert zich op diverse door Bureau Documenten onderzochte en als echt bevonden documenten die de Palestijnse nationaliteit van verzoeker aantonen.

De rechtbank betrekt de relevante landen Palestijnse Gebieden en Syrië in haar beoordeling. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen uit deze gebieden als staatloos worden beschouwd. Daarnaast is op grond van de Syrische nationaliteitswetgeving en het feit dat verzoeker niet voldoet aan de criteria voor het verkrijgen van de Syrische nationaliteit, vastgesteld dat hij ook niet als Syrisch staatsburger kan worden beschouwd.

De rechtbank concludeert dat verzoeker staatloos is en stelt dit vast. Het verzoek om voor recht te verklaren dat zijn nationaliteit staatloos is en als zodanig erkend zal worden door Nederland wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. De beschikking is zonder mondelinge behandeling gegeven en uitgesproken op 10 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank stelt de staatloosheid van verzoeker vast en wijst het verzoek om erkenning van deze staatloosheid door Nederland af wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: HA RK 25-749
Zaaknummer: C/09/696508
Datum beschikking: 10 april 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 19 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.P. van Mulken in Nuth.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. G.L. Wischhoff.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 6 februari 2026 van de Staat, met bijlage;
  • het bericht van 15 maart 2026 van verzoeker.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, waarover hierna meer, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt:
  • Verzoeker is op [geboortedatum] 1993 geboren in [geboorteplaats] , [geboorteland] .
  • Verzoeker is op 16 november 2022 Nederland ingereisd en hij heeft op 22 november 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel.
  • Verzoeker heeft een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd van 22 november 2022 tot 22 november 2027.
  • Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten:
  • een door Bureau Documenten onderzocht en echt bevonden originele Syrische identiteitskaart voor Palestijnen, waarop staat dat verzoeker de Palestijnse nationaliteit bezit, en een Syrisch reisdocument voor Palestijnen;
  • een door Bureau Documenten onderzocht en echt bevonden origineel familie-uittreksel afgegeven door de Algemene Autoriteit voor Palestijnse vluchtelingen;
  • een kopie familieboekje voor Palestijnen;
  • een door Bureau Documenten onderzocht en neutraal bevonden UNRWA kaart;
  • een door Bureau Documenten onderzocht en echt bevonden origineel uittreksel uit het huwelijksregister;
  • een door Bureau Documenten onderzocht en echt bevonden huwelijksbevestiging van de Sharia rechtbank.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker en daarmee voor recht te bepalen dat zijn nationaliteit staatloos is en als zodanig zal worden erkend door de Nederlandse staat.
De Staat adviseert, voor zover de rechtbank van oordeel is dat verzoeker ontvankelijk is, het verzoek toe te wijzen.

Beoordeling

Wettelijk kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet aanleiding om de Palestijnse Gebieden en Syrië in haar beoordeling over de staatloosheid van verzoeker te betrekken.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de door verzoeker overgelegde documenten – die positief zijn beoordeeld door Bureau Documenten – is het aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is en de Palestijnse nationaliteit heeft.
Uit het Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden van april 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Werkinstructie 2020/19 Palestijnen volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Wordt verzoeker als onderdaan van Syrië beschouwd?
Verzoeker stelt als Palestijn in Syrië geboren te zijn en hij heeft (minimaal) drie originele en echt bevonden documenten uit de drie documentgroepen kunnen overleggen.
Op grond van de nationaliteitswetgeving van Syrië (decreet 276 uit 1969; bevestiging hiervan is te vinden in het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken) kan de Syrische nationaliteit onder andere worden verkregen door afstamming van een Syrische vader. Een moeder kan naar Syrisch nationaliteitsrecht haar nationaliteit alleen doorgeven in het geval het kind is geboren in Syrië en de vader het kind niet heeft erkend. Van beide situaties is in dit geval niet gebleken, zodat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Syrische nationaliteit via zijn ouders heeft verkregen. Uit de Werkinstructie 2020/19 Palestijnen volgt voorts dat Palestijnen in Syrië in principe staatloos zijn en niet kunnen naturaliseren.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verzoeker beschikt over de Syrische nationaliteit.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op al het voorgaande, de staatloosheid van verzoeker vast. Het daarmee samenhangende verzoek om en voor recht te bepalen dat de nationaliteit van verzoeker staatloos is en als zodanig zal worden erkend door de Nederlandse staat zal de rechtbank afwijzen bij gebrek aan belang.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker staatloos is;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 10 april 2026.