Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11288

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/09/696363 / HA RK 25-743
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker met Palestijnse afkomst

Verzoeker, geboren in Gaza in 1997, is in april 2024 via meerdere landen naar Nederland gereisd en heeft hier asiel aangevraagd. Hij beschikt over documenten die zijn Palestijnse afkomst bevestigen, waaronder een Palestijns paspoort en een UNWRA-kaart. Het verzoek tot vaststelling van staatloosheid is ingediend op basis van de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid.

De rechtbank heeft het verzoek zonder mondelinge behandeling behandeld, omdat de Staat der Nederlanden het verzoek steunt. De rechtbank beoordeelt dat verzoeker in Nederland woont en onmiddellijk belang heeft bij de vaststelling van zijn staatloosheid, waardoor hij ontvankelijk is.

De rechtbank betrekt de Palestijnse gebieden en Turkije bij haar beoordeling. Hoewel verzoeker Palestijnse documenten bezit, erkent Nederland de Palestijnse nationaliteit niet en beschouwt Palestijnen zonder andere nationaliteit als staatloos. Verzoeker verbleef slechts dertig dagen in Turkije, onvoldoende voor naturalisatie volgens de Turkse wet. Daarom wordt hij niet als Turkse onderdaan beschouwd.

Op grond van deze feiten stelt de rechtbank vast dat verzoeker staatloos is. De beschikking is uitgesproken op 10 april 2026 door rechter C.L. Strop.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoeker staatloos is.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: HA RK 25-743
Zaaknummer: C/09/696363
Datum beschikking: 10 april 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 17 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker],

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Engelbertink in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. Y. Verheugd.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 19 maart 2026 van de Staat, met bijlagen;
  • het bericht van 20 maart 2026 van verzoeker.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoeker is verzocht, waarover hierna meer, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt:
  • Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats], Gaza.
  • Verzoeker is in april 2024 via Egypte, Turkije, Griekenland en België naar Nederland gereisd, waar hij op 10 juni 2024 is aangekomen.
  • Verzoeker heeft op 28 juli 2024 asiel aangevraagd en heeft vervolgens een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd van 28 juli 2024 tot 28 juli 2029 gekregen.
  • Verzoeker beschikt over de volgende documenten:
  • een door Bureau Documenten echt bevonden Palestijns paspoort;
  • een door Bureau Documenten echt bevonden geboorteakte met vertaling;
  • een door Bureau Documenten echt bevonden identiteitsbewijs;
  • een foto en kopie van een UNWRA kaart.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoek strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker.
De Staat adviseert het verzoek van verzoeker toe te wijzen.

Beoordeling

Wettelijk kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
De rechtbank ziet, evenals de Staat, aanleiding om de Palestijnse gebieden en Turkije bij haar beoordeling te betrekken.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Gelet op de overgelegde documenten, in onderlinge samenhang bezien, is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat verzoeker van Palestijnse afkomst is en de Palestijnse nationaliteit heeft.
Uit het Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden van april 2022 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Werkinstructie 2020/19 Palestijnen volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden die geen andere nationaliteit hebben daarom als staatloos.
Wordt verzoeker als onderdaan van Turkije beschouwd?
De verkrijging van de Turkse nationaliteit middels naturalisatie wordt geregeld vanaf artikel 11 en Pro verder van de Turkse nationaliteitswet. Hieruit volgt dat één van de voorwaarden voor naturalisatie is dat een persoon minimaal vijf jaar inwoner is geweest van Turkije. Verzoeker heeft aangegeven slechts dertig dagen in Turkije te hebben verbleven en dus niet vijf jaar. De rechtbank volgt daarom de conclusie van de Staat dat het niet aannemelijk is dat verzoeker de Turkse nationaliteit heeft verkregen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de staatloosheid van verzoeker vast.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S. Sluijmer als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 10 april 2026.