Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
24 januari 2024.
Rechtbank Den Haag
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 26 januari 2026, wordt het beroep van eiser behandeld dat op 24 november 2025 is ingediend. Eiser stelt dat de minister van Asiel en Migratie niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag, die op 24 januari 2024 is ingediend. De rechtbank heeft partijen geïnformeerd dat een zitting niet nodig is en heeft hen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Aangezien er geen verzoek om een zitting is gedaan, heeft de rechtbank het beroep zonder zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
De rechtbank heeft ambtshalve beoordeeld of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep. De rechtbank concludeert dat dit procesbelang ontbreekt. Eiser had eerder, op 29 augustus 2025, al beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag (zaaknummer NL25.41410). In die procedure heeft de rechtbank op 9 januari 2026 uitspraak gedaan en het beroep gegrond verklaard, waarbij de minister is opgedragen om binnen acht weken na de bekendmaking van die uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.
Aangezien de rechtbank niet twee keer kan beslissen op een beroep dat gericht is tegen hetzelfde niet tijdig nemen van een besluit, heeft eiser geen belang bij het onderhavige beroep. De rechtbank verklaart het beroep dan ook niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, in aanwezigheid van A.S. van der Veen, griffier, en is openbaar gemaakt via een geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.