De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om een zorgregeling vast te stellen en het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag over de minderjarige toe te wijzen. De ouders zijn niet gehuwd en hebben gezamenlijk gezag. De communicatie tussen hen verloopt moeizaam, maar zij zijn bereid hieraan te werken en volgen een traject ouderschapsbemiddeling.
De moeder vroeg om eenhoofdig gezag, stellende dat de communicatie zodanig problematisch is dat gezamenlijk gezag niet langer wenselijk is. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende contra-indicaties zijn gebleken om het gezamenlijk gezag te beëindigen en wees het verzoek af. Ook het subsidiaire verzoek tot raadsonderzoek werd afgewezen.
De vader vroeg om een zorgregeling waarbij het kind om de week van vrijdagmiddag tot zondagavond bij hem verblijft, met gedeelde verantwoordelijkheid voor halen en brengen. De moeder had zorgen over de veiligheid en belastbaarheid van het kind bij de vader, mede vanwege eerdere overgeefklachten. De rechtbank stelde vast dat er geen veiligheidsrisico is en dat de vader de adviezen van de diëtiste opvolgt.
De rechtbank stelde een definitieve zorgregeling vast met een opbouwschema: vanaf 18 april 2026 iedere zaterdag tot zondag, vanaf 15 mei 2026 om de twee weken van vrijdag tot zondag, en vanaf 12 juni 2026 om de twee weken van vrijdag tot zondag met langere verblijfsduur. De vader is verantwoordelijk voor het halen en brengen. Vakanties, feestdagen en verjaardagen worden vanaf de herfstvakantie 2026 in onderling overleg verdeeld.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en vervangt eerdere opdrachten aan hulpverleningsinstanties en de Raad voor de Kinderbescherming. De moeder trok haar verzoek tot vervangende toestemming voor vakantie af, omdat de vader vooraf toestemming gaf.