Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11132

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
9 mei 2026
Zaaknummer
C/09/680039 / FA RK 25-1002
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beschikking over gezag, omgang en zorgverdeling met verwijzing naar begeleide omgang en aanvullend raadsonderzoek

De rechtbank behandelt een verzoek van de vader om gezamenlijk gezag over de minderjarige kinderen te verkrijgen, wijziging van de omgangsregeling en een informatieregeling. De moeder oefent momenteel het gezag uit en de kinderen wonen bij haar. De vader heeft de kinderen erkend, maar er is sinds een incident in oktober 2024 geen contact meer tussen vader en kinderen.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft geadviseerd om de omgang via begeleide omgang te herstellen, mits de draagkracht van de oudste minderjarige dit toelaat. De vader is veroordeeld voor bedreiging van de moeder en volgt een therapie voor emotie- en agressieregulatie. De rechtbank acht het succesvol afronden van deze therapie een randvoorwaarde voor het starten van begeleide omgang.

De rechtbank wijst het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator en vervangende toestemming tot erkenning af, beëindigt de werkzaamheden van de bijzondere curator en stelt een voorlopige informatieregeling vast. De ouders worden verwezen naar trajecten Parallel Solo Ouderschap en Omgangsbegeleiding. De procedure wordt aangehouden tot 1 oktober 2026 in afwachting van het aanvullend raadsonderzoek en de resultaten van de trajecten.

De rechtbank benadrukt het belang van een veilige en positieve omgang en stelt dat de omgang met beide kinderen gezamenlijk moet starten. De Raad wordt verzocht een aanvullend onderzoek te verrichten en advies uit te brengen over de omgangs- en zorgregeling. De ouders moeten de rechtbank informeren over het verloop van de trajecten en zich uitlaten over het rapport van de Raad.

De beschikking is uitgesproken door kinderrechter A.C. Olland op 8 april 2026 en bevat gedetailleerde voorwaarden en termijnen voor verdere procedurele stappen.

Uitkomst: Verzoek tot gezamenlijk gezag afgewezen; ouders verwezen naar begeleide omgang en aanvullend raadsonderzoek; procedure aangehouden tot oktober 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1002
Zaaknummer: C/09/680039
Datum beschikking: 8 april 2026

Gezag, omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en informatie

Beschikking op het op 5 februari 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H.E.M.J. van Poppel in [geboorteplaats 1] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.E. Hoogenraad in Maassluis.

Procedure

Bij beschikking van 11 maart 2025 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is
mr. J.W. Stok benoemd als bijzondere curator en is iedere verdere beslissing pro forma aangehouden.
Bij beschikking van 1 april 2025 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is
mr. J.W. Stok ontslagen van zijn taak als bijzondere curator, is mr. M.M. Menheere benoemd als bijzondere curator en is iedere verdere beslissing pro forma aangehouden.
De rechtbank (opnieuw) kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 28 februari 2025 van de vader, met bijlagen;
  • het verslag van 17 april 2025 van de bijzondere curator;
  • het bericht van 17 april 2025 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);
  • het bericht van 9 mei 2025 van de moeder;
  • het bericht van 15 mei 2025 van de vader;
  • het bericht van 14 juli 2025 van de bijzondere curator, met bijlage;
  • het bericht van 30 juli 2025 van de vader;
  • het bericht van 30 juli 2025 van de moeder;
  • het rapport van 6 november 2025 van de Raad, met kenmerk SK-1-64F74PS;
  • het bericht van 15 december 2025 van de moeder;
  • het bericht van 16 december 2025 van de vader, met bijlage;
  • het bericht van 4 februari 2026 van de bijzondere curator;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek, met bijlagen, ingekomen op 26 februari 2026;
  • het bericht van 27 februari 2026 van de moeder, met bijlage;
  • het bericht van 6 maart 2026 van de vader, met bijlagen.
Op 11 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [de minderjarige 1] (hierna: [de minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;
  • [de minderjarige 2] (hierna: [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2023 in [geboorteplaats 2] .
  • De vader heeft [de minderjarige 1] erkend op 18 mei 2022 en [de minderjarige 2] op 30 juli 2025.
  • De moeder oefent alleen het gezag uit over de kinderen.
  • De kinderen wonen bij de moeder.
  • Bij beschikking van 25 juli 2022 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is het ouderschapsplan opgenomen in de beschikking.
  • In het op 9 februari 2022 door beide ouders ondertekende ouderschapsplan zijn de ouders in artikel 2 – voor zover hier relevant – het volgende overeengekomen over de omgang tussen de vader en [de minderjarige 1] :
  • “ [de minderjarige 1] overnacht ten alle tijden bij moeder;
  • iedere woensdag is er omgang met vader van 17.00 uur tot [de minderjarige 1] op bed ligt;
  • om de week gaat moeder (op een dag die voor haar uitkomt) met [de minderjarige 1] naar de vader en/of zussen van vader. Moeder stelt vader op de hoogte van het contactmoment en vader is welkom hierbij te zijn;
  • voorafgaand aan ieder contact/omgangsmoment is er de dag voor de omgang telefonisch contact tussen [de minderjarige 1] en vader, via videobellen;
  • op feestdagen of andere speciale dagen, zoals verjaardagen, is er in overleg tussen ouders een extra omgangsmoment;
  • vader gebruikt geen drank en drugs tijdens omgang met [de minderjarige 1] ;
  • de huidige zorg/contactregeling loopt tot [de minderjarige 1] in België en/of Limburg woont en de leeftijd waarop [de minderjarige 1] zich met woorden duidelijk kan uitdrukken (naar verwachting tot de leeftijd van 6 jaar), waarna de regeling in overleg aangepast zal worden;
  • met de leeftijd van 6 jaar zal de omgang met vader zonder moeder zijn, mits vader zich aan de gemaakte afspraken houdt.”
- Bij vonnis in kort geding van 17 februari 2025 van deze rechtbank – voor zover hier relevant – is de Raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag of, en zo ja, welke omgangsregeling in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is te achten en op welke wijze dat contact gerealiseerd kan worden.

Verzoek en verweer

De vader verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • een bijzondere curator te benoemen over [de minderjarige 2] ;
  • aan hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [de minderjarige 2] ;
  • primair: het gezag over de kinderen te wijzigen, in die zin dat de vader samen met de moeder met het ouderlijk gezag over de kinderen wordt belast, subsidiair: een informatieregeling vast te stellen, inhoudende dat de moeder de vader iedere twintigste van de maand per e-mail moet informeren over belangrijke aangelegenheden betreffende de kinderen, inclusief een foto van de kinderen;
  • de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige 1] , zoals opgenomen in het ouderschapsplan en zoals is aangehecht aan de beschikking van 25 juli 2022, en tussen de vader en [de minderjarige 2] , zoals onderling getroffen, te wijzigen naar primair een zorgregeling en subsidiair een omgangsregeling, waarbij:
  • de kinderen twee maanden iedere week drie uur bij de vader verblijven;
  • de kinderen daarna twee maanden om de week op zaterdag of zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur bij de vader verblijven;
  • de kinderen daarna om de week een weekend bij de vader verblijven;
  • de vakanties en feestdagen bij helfte worden verdeeld;
  • althans een zodanige regeling die volgens de rechtbank in het belang van de kinderen kan worden geacht.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Daarnaast verzoekt de moeder zelfstandig, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:
  • te bepalen dat de omgang tussen de man en [de minderjarige 1] , zoals opgenomen in het ouderschapsplan en zoals is aangehecht aan de beschikking van 25 juli 2022, op te schorten en de omgang tussen de vader en [de minderjarige 2] niet vast te stellen, totdat de kinderen toe zijn aan contactherstel en de vader succesvol een traject voor zijn agressieregulatie heeft gevolgd, danwel als de rechtbank van oordeel is dat er omgangsbegeleiding plaats moet vinden de procedure aan te houden voor de duur van het Omgangsbegeleidingstraject en dat aan de hand van de resultaten daarvan beoordeeld moet worden hoe de toekomst er uit zal moeten komen te zien;
  • althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
De vader voert mondeling verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Vervangende toestemming erkenning
Omdat de rechtbank al een bijzondere curator over [de minderjarige 2] heeft benoemd en de vader [de minderjarige 2] inmiddels al heeft erkend, zal de rechtbank de verzoeken van de vader om een bijzondere curator over [de minderjarige 2] te benoemen en aan hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige 2] te erkennen, afwijzen bij gebrek aan belang.
Omdat [de minderjarige 2] al door de vader is erkend, is vertegenwoordiging van [de minderjarige 2] door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure daarom als beëindigd.
Omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Bij vonnis in kort geding van 17 februari 2025 is de Raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag of er sprake is van bezwaren als genoemd in artikel 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek die in de weg staan aan het recht op omgang of contact dat de vader met de kinderen heeft. Als de Raad van mening is dat er geen sprake is van voornoemde bezwaren, terwijl er geen contact is tussen de vader en de kinderen, moet de Raad een vervolgonderzoek doen naar de wijze waarop omgang of contact (weer) gerealiseerd kan worden, indien nodig met behulp van proefcontacten.
De Raad heeft naar aanleiding van zijn onderzoek geadviseerd om het verzoek aan te houden voor de duur van negen maanden om in die periode begeleide omgang tussen de vader en de kinderen op te starten en te kijken naar het effect daarvan, waarna een concreet advies gegeven kan worden over (het wijzigen van) de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. Ondanks de zorgen over (het gedrag van) de vader, vindt de Raad het belangrijk voor de kinderen dat er contactherstel plaats gaat vinden tussen de vader en de kinderen via begeleide omgang. Dit moet op een rustig tempo gebeuren en de omgangsbegeleiders moeten kijken naar hoe dit moet worden opgebouwd, zonder daarbij voorbij te gaan aan de grenzen van de kinderen. De grootste belemmering is dat de moeder en [de minderjarige 1] nog niet toe lijken te zijn aan contactherstel. [de minderjarige 1] heeft een duidelijke mening over contact met de vader en is onder behandeling van GGZ Delfland. Het is onduidelijk wat contactherstel met de vader voor effect heeft op de stappen die [de minderjarige 1] bij de GGZ heeft gemaakt. Het is belangrijk dat goed gemonitord wordt of het opstarten van de omgang de behandeling van [de minderjarige 1] niet negatief doorkruist. Een andere belemmering is dat er een contactverbod is tussen de ouders. Door de omgangsbegeleiders moet gekeken worden hoe dit het beste vormgegeven kan worden en welke rol de moeder daarin heeft. De Raad vindt het verder belangrijk dat de betrokken hulpverlening voor de kinderen, de moeder en de vader gecontinueerd wordt en dat de vader zich laat behandelen voor zijn emotie- en agressieregulatie-problematiek. Daarnaast acht de Raad het wenselijk dat de vader betrokken wordt bij de GGZ-behandeling van [de minderjarige 1] .
Op de zitting heeft de Raad het schriftelijk advies onderstreept en het belang van begeleide omgang met de vader, mits de draagkracht van [de minderjarige 1] dit toelaat, onderstreept.
De vader is blij met het advies van de Raad om de omgang tussen hem en de kinderen te herstellen via begeleide omgang. De vader begrijpt dat de omgang rustig moet worden opgebouwd en dat de omgang met [de minderjarige 1] pas kan starten wanneer de draagkracht van [de minderjarige 1] dit toelaat.
De moeder is er in beginsel niet op tegen dat de omgang tussen de vader en de kinderen wordt hersteld via begeleide omgang, mits de draagkracht van [de minderjarige 1] dit toelaat en de vader zijn therapie bij De Waag succesvol heeft afgerond.
Uit de stukken en uit dat wat op de zitting met de ouders en de Raad is besproken, is kort samengevat het volgende gebleken. De vader heeft de kinderen sinds het incident in [speeltuin] op 30 oktober 2024 niet meer gezien. De vader is op 21 augustus 2025 veroordeeld voor bedreiging van de moeder. Hij heeft een taakstraf van 80 uur, een contactverbod met de moeder en een locatieverbod voor Nootdorp gekregen. Daarnaast moet de vader zich opnieuw laten behandelen voor zijn emotie- en agressieregulatie binnen het relationele domein. De vader is op 7 oktober 2025 aangemeld bij De Waag en hij heeft op 12 februari 206 een intake gehad. Het behandelplan moet nog worden opgesteld. Sinds het incident in [speeltuin] gaat het niet goed met [de minderjarige 1] . Hij sliep slecht, hij had nachtmerries, angstklachten en emotieregulatie problemen en ging nauwelijks tot niet naar school. [de minderjarige 1] is onder behandeling bij GGZ Delfland en zij hebben zijn klachten ingekaderd als PTSS. [de minderjarige 1] heeft voor zijn klachten EMDR-therapie gevolgd, maar dit had niet het gewenste effect. [de minderjarige 1] is vervolgens gestart met speltherapie en in een gesprek op 30 maart 2026 zal beeldende therapie besproken worden. Het gaat inmiddels wat beter met [de minderjarige 1] en hij gaat nu vier hele dagen naar school. Ook is het Sociaal Kernteam (SKT) betrokken bij de moeder thuis.
Op de zitting is uitgebreid gesproken over het advies van de Raad om het contact tussen de vader en de kinderen via begeleide omgang weer op te starten. Tussen de ouders is niet in geschil dat het in beginsel in het belang van de kinderen is dat zij omgang hebben met de vader. Deze omgang moet wel plaatsvinden in een veilige setting en op een positieve manier. De ouders zijn het erover eens dat dit op dit moment alleen kan via begeleide omgang. Beide ouders hebben op de zitting – zij het aan de zijde van de moeder onder twee randvoorwaarden, waarover de rechtbank hierna zal oordelen – de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject Omgangsbegeleiding en Parallel Solo Ouderschap. De rechtbank zal de ouders en de kinderen in de gelegenheid stellen om deel te nemen aan deze trajecten, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is op 11 maart 2026 al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd trajecten. De rechtbank zal deze beschikking ook per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
Zoals hiervoor al is aangegeven, verschillen de ouders van mening over de vraag of, en zo ja, welke randvoorwaarden er aan het starten van het traject Omgangsbegeleiding verbonden moeten worden.
De ouders zijn het erover eens dat de begeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige 1] pas gestart kan worden als de draagkracht van [de minderjarige 1] dat toelaat. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Of, en zo ja, wanneer er bij [de minderjarige 1] voldoende draagkracht is voor begeleide omgang met de vader zal moeten worden bepaald door het SKT, die als regievoerder in het vrijwillig kader betrokken is. De vader heeft daar weliswaar bezwaar tegen gemaakt, maar de rechtbank is net als de Raad van oordeel dat het SKT hiervoor de aangewezen instantie is.
De ouders zijn het niet eens over de vraag of er ook al gestart kan worden met de begeleide omgang zolang de vader zijn therapie bij De Waag nog niet succesvol heeft afgerond. Voor de moeder is afronding van de therapie bij De Waag een harde randvoorwaarde. Gelet op haar ervaringen met de vader in het verleden heeft zij er onvoldoende vertrouwen in dat de vader zonder deze therapie succesvol te hebben afgerond rustig kan blijven in de omgang met de kinderen. Hoewel, zoals de Raad heeft aangegeven, de veiligheid van de kinderen voldoende wordt gewaarborgd binnen het traject Omgangsbegeleiding, is de rechtbank toch van oordeel dat het succesvol afronden van de therapie van de vader een randvoorwaarde is voor het starten met de begeleide omgang. Immers, de kans bestaat dat de vader tijdens de begeleide omgang gedrag vertoont dat bij [de minderjarige 1] angst oproept. Die kans acht de rechtbank nog steeds aanwezig, omdat de vader nog geen inzicht heeft laten zien in het effect van zijn gedrag – zoals dat tijdens het incident in de [speeltuin] – op [de minderjarige 1] . Dat de vader volgens de reclassering een meewerkende houding heeft, maakt dit niet anders. De therapie bij de Waag was op de zitting immers nog maar net gestart en bij de intake had de vader enerzijds aangegeven dat hij ‘niet volledig inziet waarom behandeling opnieuw nodig is’.
De ouders verschillen tot slot ook van mening of de kinderen samen moeten starten met de begeleide omgang of dat hiermee voor [de minderjarige 2] kan worden gestart, ook als [de minderjarige 1] daar nog niet klaar voor is. De rechtbank neemt in dit kader in overweging dat [de minderjarige 2] geen besef heeft wie haar vader is, geen band met hem heeft en het gegeven dat [de minderjarige 1] als voorbeeld ziet en veel dingen van hem overneemt. De rechtbank acht daarom de kans op een positief contact tussen [de minderjarige 2] en de vader veel groter vanaf het moment dat [de minderjarige 1] daar ook voor openstaat. En andersom kan de situatie waarin [de minderjarige 2] wel contact heeft met haar vader, maar [de minderjarige 1] daar nog niet aan toe is, een negatief effect hebben op [de minderjarige 1] (en vervolgens weer op [de minderjarige 2] ). Gelet daarop acht de rechtbank het in hun belang dat zij vanaf het begin samen naar de begeleide omgangsmomenten gaan. Dit betekent concreet dat de rechtbank van oordeel is dat het traject Omgangsbegeleiding voor beide kinderen kan starten op het moment dat aan de randvoorwaarde dat er voldoende draagkracht is bij [de minderjarige 1] is voldaan.
Ten aanzien van het starten van het traject Parallel Solo Ouderschap overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de draagkracht van [de minderjarige 1] voor begeleid contact met de vader als voorwaarde te stellen voor het starten van het traject Parallel Solo Ouderschap, nu [de minderjarige 1] geen deelnemer is in dit traject. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het succesvol afronden van de therapie bij De Waag door de vader wel een randvoorwaarde moet zijn voor het starten van het traject Parallel Solo Ouderschap.
De rechtbank zal de Raad, zoals ook door de Raad zelf is geadviseerd, verzoeken om een aanvullend raadsonderzoek te doen naar de vraag welke omgangs-/zorgregeling tussen de vader en de kinderen in het belang van de kinderen is. De Raad moet vervolgens een concreet advies geven over deze vraag. De rechtbank verwacht dat de Raad de ouders, alle betrokken hulpverlening rondom de ouders en de kinderen en de resultaten van de trajecten Parallel Solo Ouderschap en Omgangsbegeleiding bij dit aanvullend onderzoek zal betrekken.
De rechtbank zal in afwachting van de resultaten van de trajecten Parallel Solo Ouderschap en Omgangsbegeleiding en het aanvullend raadsonderzoek de procedure opnieuw aanhouden tot 1 oktober 2026 pro forma, zoals nader vermeld in het dictum van deze beschikking.
Gezamenlijk gezag
De rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende voorgelicht om een weloverwogen beslissing in het belang van de kinderen te nemen. De rechtbank zal het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over de kinderen te belasten in afwachting van de resultaten van de trajecten Parallel Solo Ouderschap en Omgangsbegeleiding aanhouden tot 1 oktober 2026 pro forma.
Informatieregeling
De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat een voorlopige informatieregeling wordt vastgesteld. Wanneer er wordt gestart met het traject Omgangsbegeleiding kan de vader dan beter aansluiten bij de kinderen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de moeder de vader
voorlopigiedere twintigste van de maand per e-mail moet informeren over belangrijke aangelegenheden betreffende de kinderen en daarbij een recente foto van de kinderen moet voegen. De rechtbank zal iedere verdere beslissing over het subsidiaire verzoek van de vader om een informatieregeling vast te stellen in afwachting van de resultaten van de trajecten Parallel Solo Ouderschap en Omgangsbegeleiding aanhouden tot 1 november 2026 pro forma.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking zal geven, zal de rechtbank de proceskosten ook aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
*
wijst af de verzoeken van de vader tot benoeming van een bijzondere curator en vervangende toestemming tot erkenning;
*
beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd;
*
stelt vast dat de ouders, te weten:
[de vader] ,
wonende aan de [adres 1] ,
en
[de moeder] ,
wonende aan de [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan de trajecten Parallel Solo Ouderschap en Omgangsbegeleiding, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:
  • Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;
  • de Raad voor de Kinderbescherming;
bepaalt dat de ouders de rechtbank vóór na te melden pro formadatum informeren over het verloop van voornoemd traject;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een
aanvullendonderzoek te verrichten over de omgang tussen de vader en met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
de Raad voor de Kinderbescherming kan daartoe telefonisch een afspraak maken met de ouders, die – voor zover nog noodzakelijk – te bereiken zijn via de volgende telefoonnummers: 010 – 313 22 00 (advocaat vader) en 010 – 592 16 46 (advocaat moeder);
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking en de nader ingekomen processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
uiterlijk op
15 oktober 2026moet de Raad voor de Kinderbescherming zijn
aanvullendrapport met advies hebben uitgebracht aan de rechtbank, met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
uiterlijk op
1 november 2026moeten de ouders zich schriftelijk hebben uitgelaten over het
aanvullendrapport met advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de gewenste verdere voortgang van deze procedure;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies en voor zover noodzakelijk, de behandeling op de zitting op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
*
houdt iedere verdere beslissing
over het gezag, de omgang c.q. verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de (definitieve) informatieregeling en de proceskostenaan
tot1 november 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 april 2026.