Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11129

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
9 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699079 / FA RK 26-1184
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34 PaspoortwetArt. 289 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming vader voor aanvraag identiteitskaart minderjarige en regeling paspoortbeheer

Partijen zijn gezamenlijk gezaghebbende ouders van een minderjarige. De moeder beheert het paspoort van het kind en de vader verzocht om vervangende toestemming voor het aanvragen van een identiteitskaart, zodat beide ouders over een geldig identiteitsbewijs beschikken en niet van elkaar afhankelijk zijn.

De moeder verzette zich tegen het verzoek, stellende dat een identiteitskaart onnodig is en vreest dat de vader zonder haar toestemming met het kind naar het buitenland zal reizen. De rechtbank overweegt dat het belang van het kind gediend is met een identiteitskaart, omdat dit de afhankelijkheid tussen ouders vermindert en het kind zich kan identificeren bij de vader.

De rechtbank constateert dat de vader het paspoort inmiddels aan de moeder heeft teruggegeven, waardoor het verzoek van de moeder om het paspoortbeheer aan te passen komt te vervallen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af.

Uitkomst: De rechtbank verleent de vader vervangende toestemming voor het aanvragen van een identiteitskaart en wijst het verzoek van de moeder om het paspoortbeheer aan te passen af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1184
Zaaknummer: C/09/699079
Datum beschikking: 8 april 2026

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 5 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.W. Kuiper te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.E.M. Beijersbergen te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 27 februari 2026 van de advocaat van de moeder, met een usb-stick;
  • het F9-formulier van 3 maart 2026 van de advocaat van de moeder, met bijlage;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.
Op 11 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] , ingevolge de aantekening in het gezagsregister van 22 oktober 2020.
- In het ouderschapsplan van januari 2022 zijn de ouders – voor zover hier van belang – het volgende overeengekomen:
- Het paspoort van [minderjarige] is in beheer bij zijn moeder. Zij zal het paspoort afgeven aan de andere ouder indien nodig voor onder andere een buitenlandse vakantie.
- Het ouderschapsplan gold voor maximaal twee jaar;
- Bij beschikking van 18 september 2024 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – bepaald dat [minderjarige] bij de vader zal zijn:
- in de even weken van woensdagavond 18.30 uur tot maandag naar school;
- in de oneven weken van woensdagavond 18.30 uur tot zaterdag 10.00 uur;
- in de zomervakantie:
in het jaar dat de halfbroer van [minderjarige] (dat is [naam] ) de eerste drie weken van de zomervakantie bij de vader is: de eerste twee weken en de vierde week;
en
in het andere jaar: de derde week, de vijfde week en de zesde week;
- in de kerstvakantie: in de even jaren de eerste week en Tweede Kerstdag en in de oneven jaren de tweede week en Tweede Kerstdag.

Verzoek en verweer

De moeder heeft verzocht:
- te bepalen dat aan de moeder vervangende toestemming wordt verleend om met [minderjarige] van 17 juli 2026 tot 2 augustus 2026 naar Kroatië te reizen en te bepalen dat deze vervangende toestemming strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de vader;
- te bepalen dat de vader zorgdraagt voor afgifte van het paspoort van [minderjarige] binnen 48 uur na de uitspraak, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de vader in gebreke blijft hieraan te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;
- te bepalen dat de vader na elke toekomstige reis met [minderjarige] het paspoort binnen 48 uur na terugkomst aan de moeder dient af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat de vader in gebreke blijft hieraan te voldoen, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom;
- de vader te veroordelen in de kosten van dit geding;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De vader heeft zich ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming voor de vakantie naar Kroatië gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De vader heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vader zelfstandig verzocht:
  • de vader vervangende toestemming te verlenen, welke de toestemming van de moeder vervangt, voor het verkrijgen van een identiteitskaart zoals bedoeld in artikel 34 lid 2 van Pro de Paspoortwet ten behoeve van [minderjarige] ;
  • de vader vervangende toestemming te verlenen, welke strekt tot vervanging van de vereiste toestemming van de moeder, om met [minderjarige] van 19 augustus 2026 tot en met 28 augustus 2026 op vakantie te gaan naar Italië;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Beoordeling

Vervangende toestemming vakantie
Op de zitting hebben beide ouders over en weer hun toestemming verleend voor de verzochte vakanties met [minderjarige] . Hierop hebben beide partijen hun verzoeken ingetrokken. De rechtbank hoeft daarom op deze verzoeken niet meer te beslissen.
Vervangende toestemming identiteitskaart
Juridisch kader
Op grond van artikel 34, eerste lid, van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag door of ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Blijkens het tweede lid van voormeld artikel kan, indien bij de gezamenlijke gezagsuitoefening één van de personen die het gezag uitoefent weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen beide personen beproeft. Op grond van het vijfde lid van artikel 34 van Pro de Paspoortwet geeft de rechter onder meer in de in het tweede lid bedoelde gevallen een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Standpunt vader
De vader heeft verzocht om vervangende toestemming voor het aanvragen van een identiteitskaart. Daartoe heeft de vader gesteld dat beide ouders dan over een geldig identiteitsbewijs van [minderjarige] beschikken en zij daarvoor niet van elkaar afhankelijk zijn. Verder heeft de vader aangegeven dat de moeder herhaaldelijk heeft geweigerd om het paspoort van [minderjarige] voor vakanties aan de vader af te geven, waardoor vakanties in het verleden niet zijn doorgegaan dan wel dat de vader zonder identiteitsbewijs van [minderjarige] heeft moeten reizen.
Standpunt moeder
De moeder heeft zich verzet tegen het verzoek. Zij vindt het niet wenselijk en onnodig om voor [minderjarige] een identiteitskaart aan te vragen, omdat hij al een paspoort heeft. Daarbij heeft de moeder aangegeven dat de vader zonder identiteitsbewijs met [minderjarige] heeft gereisd naar het buitenland. Als de vader beschikt over een identiteitskaart van [minderjarige] zal het voor de vader gemakkelijker zijn om zonder toestemming van de moeder met [minderjarige] naar het buitenland te reizen.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank zal het verzoek van de vader toewijzen en overweegt daartoe als volgt. De rechtbank constateert dat er veel strijd is tussen de ouders. [minderjarige] krijgt dat mee. Een identiteitskaart zorgt ervoor dat de ouders niet meer van elkaar afhankelijk zijn voor het tijdig overhandigen van het paspoort van [minderjarige] . Dat neemt de strijd niet weg, maar wel een zich geregeld herhalende situatie waarin die strijd tot uiting kan komen. De rechtbank acht dat in het belang van [minderjarige] . De rechtbank acht het daarnaast in het belang van [minderjarige] dat hij zich kan identificeren als hij bij de vader is.
De moeder heeft de vrees dat de vader zonder haar toestemming met [minderjarige] naar het buitenland zal reizen. Dit risico loopt de moeder echter ook als de vader niet beschikt over een identiteitsbewijs van [minderjarige] . Het heeft hem er in het verleden immers niet van weerhouden. Daar komt bij dat de rechtbank geen aanwijzingen heeft dat de vader zonder toestemming van moeder een aanzienlijke periode met [minderjarige] in het buitenland zal verblijven. De rechtbank zal daarom aan dit verweer van de moeder voorbijgaan.
Afgifte paspoort
Gebleken is dat de vader het paspoort van [minderjarige] inmiddels aan de moeder heeft teruggegeven. Hierop heeft de moeder op de zitting haar verzoek ten aanzien van de afgifte van het paspoort van [minderjarige] binnen 48 uur na de beschikking ingetrokken. De moeder heeft haar verzoek te bepalen dat de vader na elke toekomstige reis met [minderjarige] het paspoort binnen 48 uur na terugkomst aan de moeder dient af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom, gehandhaafd. Zoals hiervoor overwogen zal de rechtbank de vader vervangende toestemming verlenen om voor [minderjarige] een identiteitskaart aan te vragen. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat voortaan het paspoort van [minderjarige] in beheer zal zijn bij de moeder en de identiteitskaart in beheer zal zijn bij de vader. Gelet hierop heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoek. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom afwijzen.
Proceskosten
Op grond van artikel 289 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang bezien met artikel 237 en Pro verder Rv, kan de rechtbank – al dan niet ambtshalve – een proceskostenveroordeling uitspreken.
De moeder heeft verzocht de vader te veroordelen in de proceskosten. De moeder heeft gesteld dat de vader geen reden heeft om te weigeren het paspoort van [minderjarige] terug te geven en zijn toestemming te verlenen.
De rechtbank overweegt dat in verzoekschriftprocedures tussen ex-partners terughoudend wordt omgegaan met een proceskostenveroordeling om te voorkomen dat de relatie tussen partijen verder wordt belast. Als hoofdregel geldt dan ook dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt van deze hoofdregel afgeweken, bijvoorbeeld als kosten zijn ontstaan door een onredelijke houding van de wederpartij of als er sprake is van misbruik van recht. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat deze procedure gevoerd is, niet in overwegende mate aan één van beide ouders is te wijten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het hierboven omschreven uitgangspunt en zal de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Beslissing

De rechtbank:
verleent toestemming aan de vader – welke toestemming die van de moeder vervangt – ten behoeve van de aanvraag van een identiteitskaart van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 8 april 2026.