Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11099

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
NL25.59735
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 8 EVRMArt. 10 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en te late indiening

Eiseres, een Ugandese vrouw, diende een asielaanvraag in na problemen met de Ugandese autoriteiten na het overlijden van haar Nederlandse echtgenoot. Zij stelde mishandeling en verkrachting te hebben ondergaan en vreesde vervolging vanwege haar vermeende betrokkenheid bij de oppositiepartij NUP.

De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van het asielmotief en het niet zo spoedig mogelijk indienen van de aanvraag. De rechtbank bevestigt dat eiseres haar verhaal onvoldoende met objectieve documenten heeft onderbouwd, met name het verband tussen de mishandelingen en de politieke activiteiten van haar echtgenoot.

Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de verklaringen van eiseres inconsistent en niet samenhangend zijn. Ook het late indienen van de aanvraag zonder goede reden leidt tot afwijzing. De rechtbank acht de vrees voor vervolging niet aannemelijk en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59735

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.F.H. Pols).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 november 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres heeft de Ugandese nationaliteit. Zij legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij is in Uganda getrouwd met een Nederlandse man, [roepnaam man] . Na het overlijden van haar Nederlandse echtgenoot op 10 juni 2021 heeft eiseres problemen ondervonden met de Ugandese autoriteiten. Op 27 juni 2021 is eiseres in haar woning bezocht en is de woning geplunderd. Op 19 juli 2021 is het huis van de moeder van eiseres, waar eiseres toen verbleef, bezocht en ook geplunderd. Eiseres is mishandeld, de moeder van eiseres is mishandeld en haar kind dat daarbij aanwezig was, is ook mishandeld. De mannen vroegen beide keren aan eiseres waar haar man was en waar het geld was waarmee eiseres en haar overleden echtgenoot [persoon A] , [functietitel 1] van het National Unity Platform (NUP), financieel ondersteunden. Eiseres heeft toen aangegeven niet te weten waar zij het over hadden en dat zij ook niet wist om welke organisatie het ging. Vanwege de mishandeling is eiseres op 20 juli 2021 naar het ziekenhuis gegaan. Na in het ziekenhuis te zijn geweest, is eiseres onderweg naar huis een busje ingetrokken en geblinddoekt. Zij is naar een plek gebracht waar zij werd vastgebonden. Eiseres is toen mishandeld en verkracht. Opnieuw werd aan haar gevraagd waar de man is die [persoon A] financieel ondersteunt en ook toen heeft eiseres aangegeven niet te weten waar hij is. Op een zeker moment heeft eiseres, met behulp van een vrouw, kunnen ontsnappen. Op 18 september 2021 heeft zij Uganda verlaten. In Nederland heeft eiseres een relatie gekregen met [persoon B] . Zij hebben samen een zoon en een dochter die in Nederland zijn geboren. Eiseres vreest bij terugkeer te worden opgepakt door de autoriteiten vanwege haar betrokkenheid bij het steunen en financieren van de oppositie.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. De minister heeft op 18 oktober 2024 de asielaanvraag van eiseres afgewezen. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 7 juli 2025 [1] is het beroep van eiseres gegrond verklaard. De minister had in die procedure voor wat betreft het onderzoek naar de documenten die eiseres heeft ingebracht ter ondersteuning van haar asielmotieven niet voldaan aan de vergewisplicht die op de minister rust.
4.1.
Met het bestreden besluit van 27 november 2025 heeft de minister wederom de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond.
4.2.
Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen met de Ugandese autoriteiten na het overlijden van de echtgenoot.
4.3.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De minister acht de problemen met de Ugandese autoriteiten na het overlijden van de echtgenoot van eiseres niet geloofwaardig. Verder acht de minister de vrees van eiseres bij terugkeer niet aannemelijk. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000. De minister heeft zich ook op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om eiseres een reguliere verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, omdat geen sprake is van inmenging in het familie- of gezinsleven van eiseres.
Problemen met de Ugandese autoriteiten na het overlijden van haar echtgenoot.
5. De minister acht de problemen met de Ugandese autoriteiten na het overlijden van de echtgenoot van eiseres niet geloofwaardig omdat eiseres haar verklaringen niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. Verder heeft eiseres haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft daarvoor geen goede verklaring. Daarnaast vormen de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel. Met het voorgaande voldoet eiseres niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw 2000.
Heeft eiseres haar relaas volledig met objectieve documenten onderbouwd?
6. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door haar overgelegde documenten haar asielrelaas niet kunnen onderbouwen. Eiseres voert hiertoe aan dat de documenten die zij heeft overgelegd in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Daaruit volgt dat voldoende aannemelijk is dat de problemen die zij heeft ondervonden na overlijden van haar man zijn veroorzaakt door de Ugandese autoriteiten vanwege de rol van haar man bij de NUP.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres ter onderbouwing van haar asielmotief de volgende documenten heeft overgelegd:
a. a) een kopie van een paspoort van [doopnaam man] ;
b) een kopie van het overlijdenscertificaat van [doopnaam man] van 25 juni 2021;
c) een kopie van het huwelijkscertificaat van eiseres en [doopnaam man] van 31 mei 2021;
d) een originele brief van het ziekenhuis van 20 juli 2021, waarin staat dat eiseres is geholpen door haar geslachtsdeel te reinigen in verband met besmettelijke culturele rituelen met kruiden op haar;
e) een originele brief van het district Wakiso van 20 juli 2021, waarin staat dat eiseres zich heeft gemeld nadat op 28-29 juni 2021 vreemden haar huis zijn binnen gekomen, eiseres hebben gestoken en geslagen en de laptop en telefoon van de overleden man van eiseres hebben meegenomen;
f) een originele brief van het district Kitgum van 30 januari 2023, waarin staat dat eiseres tussen 2003 en 2006 ontvoerd zou zijn door de rebellengroep Lord Resistant Army (LRA) in het noorden van Uganda;
g) een kopie van een medisch onderzoek van 1 juli 2024, waarin een verwijzing van de politie staat waarmee de moeder van eiseres toestemming krijgt om naar het ziekenhuis te gaan en een medisch rapport waarin staat dat zij gevoelige polsen heeft vanwege een “simple robbery” op 3 juni 2024;
h) een kopie van een medisch certificaat van 5 december 2024, waarin staat dat eiseres is behandeld voor een genitale verwonding;
i. i) een kopie van de brieven van de NUP van 6 december 2024 en van 4 november 2025, waarin [persoon C] , op dat moment [functietitel 2] van die partij, verklaart dat zij eiseres al tien jaar kent, dat zij ook ‘ [doopnaam man] ’ kent en dat die nauw verbonden was aan de NUP en de partij adviseerde. Verder staat daarin dat ze weet dat eiseres was getrouwd met [doopnaam man] , haar ‘close associate’, totdat hij op een mysterieuze wijze overleed. Zij verzoekt om aan eiseres asiel te verlenen.
j) een kopie van een brief van [persoon D] van 9 december 2024, waarin staat dat eiseres een alleenstaande moeder van twee kinderen is en tweemaal is aangevallen door vreemden op 28-29 juni 2021 en op 19 juli 2021.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat in eerste instantie moet worden beoordeeld of eiseres haar asielmotief volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten, zoals ook volgt uit stap 2a van Werkinstructie (WI) 2024/6 [2] . Uit paragraaf 4.1 van WI 2024/6 volgt dat in stap 2a wordt beoordeeld of de overgelegde documenten daadwerkelijk als onderbouwing kunnen dienen voor het volledige asielmotief van eiseres. Een slechts gedeeltelijke onderbouwing van het asielmotief is niet voldoende.
6.3.
De rechtbank is met de minister van oordeel dat in dit geval het asielmotief niet volledig met documenten kan worden onderbouwd. Uit de documenten a) tot en met d) blijkt dat eiseres getrouwd is geweest met [roepnaam man] en dat haar man is overleden. Uit de verklaring van [persoon C] zou volgen dat haar overleden man geld heeft gegeven aan en betrokken is geweest bij de NUP. Uit de verklaring van het ziekenhuis en van het district Wakiso volgt verder dat eiseres na het overlijden van haar man zou zijn mishandeld en verkracht en dat ze in het ziekenhuis is opgenomen. Zoals de minister terecht tegenwerpt, volgt uit deze documenten echter niet dat er een verband bestaat tussen de gestelde activiteiten van de overleden man van eiseres voor de NUP en de gestelde problemen na het overlijden van haar man. Dat verband vormt echter wel de kern van het asielmotief van eiseres, omdat zij stelt mishandeld en verkracht te zijn, en nog steeds te vrezen voor de Ugandese autoriteiten, vanwege de activiteiten van haar overleden echtgenoot voor de NUP. Nu de overgelegde documenten dat asielmotief van eiseres niet volledig kunnen onderbouwen is in zoverre ook niet van belang of die documenten echt zijn. Dat betekent dat de vraag of Bureau Documenten voldoende heeft toegelicht dat de in 5.1 onder d genoemde verklaring van het ziekenhuis vals is, niet hoeft te worden beantwoord. Om diezelfde reden heeft de minister ook geen aanleiding hoeven zien om te beoordelen of de later ingediende documenten, zoals de verklaringen van de NUP, op echtheid konden dan wel moesten worden onderzocht.
6.4.
Nu eiseres niet het volledige asielmotief met documenten heeft onderbouwd, heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw 2000.
Vormen de verklaringen van eiseres een samenhangend en aannemelijk geheel?
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.
7.1
Ten aanzien van het verband tussen de mishandelingen en de activiteiten van haar man, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat de autoriteiten pas na het overlijden van de man van eiseres zouden optreden, terwijl hij al langere tijd betrokken zou zijn geweest bij de NUP en eiseres heeft verklaard dat haar echtgenoot al jarenlang heeft gedoneerd aan de NUP. Ten tweede staat in de verklaring van [persoon C] dat de man van eiseres op een mysterieuze wijze is overleden, terwijl eiseres heeft verklaard dat haar man kanker had, maar overleden is aan Covid-19. De minister heeft zich hierover terecht op het standpunt gesteld dat het niet mysterieus is als in 2021 in Uganda een oudere en al ernstig zieke man aan Covid-19 overlijdt. In reactie hierop heeft eiseres wel gesteld dat haar man niet geholpen werd in het ziekenhuis, wat voor haar opvallend was, maar daar heeft zij tijdens haar gehoren niets over gezegd en het is ook onduidelijk hoe de vice-voorzitter van NUP daar dan bij zou komen. De verklaringen van eiseres heeft de minister op dit punt dus terecht tegenstrijdig geacht met de verklaring van [persoon C] .
7.2.
De minister heeft ook kunnen tegenwerpen dat het bevreemdt dat eiseres weinig kan verklaren over de NUP en ook niet correct weet te noemen waarvoor die afkorting staat. Uit haar verklaringen blijkt dat eiseres geld voor haar man overmaakte naar de NUP en dat zij daarvoor ook soms een link op de website gebruikte. Dat zij dan geen belangstelling heeft voor waar die partij voor staat heeft de minister niet ten onrechte vreemd geacht. Daarbij heeft de minister ook terecht tegengeworpen dat eiseres wel stelt dat zij zelf geen banden had met die partij en er daarom weinig van wist, maar dat [persoon C] in haar verklaring schrijft: “I have known [eiseres] for over 10 years […]”, terwijl eiseres heeft verklaard alleen 16 jaar geleden, na haar ontsnapping van de LRA, contact met haar gehad te hebben. Ten overvloede merkt de rechtbank daarbij nog op dat het ook opvalt dat [persoon C] de echtgenoot van eiseres, met wie zij nauw zou hebben samengewerkt, consequent ‘ [doopnaam man] ’ noemt of ‘ [doopnaam man] ’. Eiseres’ overleden echtgenoot heette echter [roepnaam man] en de door [persoon C] in haar verklaring genoemde namen zijn slechts diens doopnamen.
7.3.
Ook heeft de minister terecht tegengeworpen dat eiseres inconsistent heeft verklaard over de inval bij haar moeder op 19 juli 2021. Eiseres heeft in het nader gehoor verklaard dat zij niet heeft kunnen zien hoeveel personen er zijn binnengevallen omdat het donker was in huis. Toen haar werd tegengeworpen dat zij inconsistent verklaarde over het aantal overvallers, heeft zij later in de zienswijze verklaard dat zij iets over haar ogen gelegd had gekregen. Dat is niet consistent.
7.4.
Verder heeft de minister kunnen tegenwerpen dat eiseres na de gestelde problemen nog enige tijd in Uganda is gebleven en legaal het land heeft kunnen verlaten, wat niet past in haar relaas dat zij wordt gezocht en vervolgd door de Ugandese autoriteiten. De verklaring van eiseres dat zij moest wachten op haar visum en de aanvullende verklaring dat zij op het vliegveld bijna was betrapt maar geluk had dat het erg druk was, maakt dat niet anders. De Ugandese autoriteiten hebben immers expliciet meegewerkt aan het verkrijgen van het visum door een brief te schrijven waarin aan de Nederlandse ambassade wordt gezegd dat eiseres naar Nederland wil reizen om de administratieve afhandeling van het overlijden van haar echtgenoot te regelen. Dit past niet in eiseres’ verklaring dat zij door die autoriteiten wordt vervolgd, juist vanwege de rol van haar echtgenoot bij de NUP.
7.5.
Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres haar asielmotief niet alsnog aannemelijk heeft kunnen maken.
7.6.
De overige overgelegde documenten geven geen reden om daar anders over te oordelen. De verklaring van de lokale autoriteiten bevat geen informatie over de reden voor de overvallen. Dit volgt evenmin uit de verklaringen van het ziekenhuis, waarbij de rechtbank opmerkt dat daaruit ook niet volgt dat eiseres zou zijn verkracht. Zoals op de zitting ook besproken, staat er alleen dat sprake is van problemen als gevolg van een traditioneel ritueel. De later, op 9 december 2024, op verzoek van eiseres opgestelde verklaring van de lokale autoriteiten meldt wel dat eiseres zou zijn gewurgd en verkracht, maar de minister heeft hierin onvoldoende aanleiding hoeven zien voor een andere conclusie, reeds omdat ook daarin de reden voor de gestelde overvallen niet genoemd wordt. Dat uit de verklaring van de lokale autoriteiten van 20 juli 2021 volgt dat de laptop en de telefoon van de overleden echtgenoot door de overvallers werden meegenomen, maakt evenmin aannemelijk dat ze zijn gestolen vanwege vermeende banden met de NUP. Dat eiseres littekens heeft doet hier evenmin aan af omdat dat evenmin iets zegt over de reden waarom die zijn ontstaan.
7.7
Eiseres betoogt bij dit alles nog dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat zij getraumatiseerd is. Uit de besluitvorming blijkt niet dat rekening is gehouden met de omstandigheid dat eiseres niet eerder heeft kunnen verklaren over dingen die zij had weggestopt en zich in haar asielprocedure steeds meer weet te herinneren. Eisers merkt op dat voor het beoordelen van geloofwaardigheid bij interviews met slachtoffers van geweld speciale instructies bestaan. Zij verwijst hierbij naar de Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn. Verder verwijst eiseres naar het advies van UNHCR [3] , waaruit blijkt dat niet alleen de verklaringen moeten worden beoordeeld, maar ook landeninformatie, documenten en deskundigenadviezen en dat trauma inconsistenties kan veroorzaken maar niet automatisch de geloofwaardigheid mag ondermijnen. Verder verwijst eiseres naar een EUAA-rapport van 2024 [4] en een stuk van UNHCR van 1995 [5] . Eiseres voert verder aan dat niet is gebleken dat de behandelaar gekwalificeerd was voor het afnemen en beoordelen van interviews met slachtoffers van geweld (traumageïnformeerde training) volgens de UNHCR-aanbevelingen. Verder verwijst eiseres naar artikel 10, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Eiseres verwijst in dat kader naar een aantal zaken waarbij afwijzing vanwege incoherentie door de autoriteiten werd gerechtvaardigd, maar werd teruggedraaid in beroep of bij het EHRM met uitleg door trauma. [6]
7.8.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende rekening gehouden met de fysieke en psychische gesteldheid en het gestelde trauma van eiseres. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit het rapport van Medifirst blijkt dat sprake is van beperkingen voor het horen en/of beslissen, namelijk dat het is geobserveerd dat eiseres last heeft van een wisselende, verkorte concentratie en dat haar korte termijn geheugen haar zo nu en dan in de steek laat ten gevolge van haar psychische klachten. Daarom is geadviseerd om eiseres korte en gerichte vragen te stellen. Verder blijkt uit het Medifirst-rapport niet dat eiseres onder behandeling staat voor haar psychische klachten. Uit de gehoren blijkt verder dat eiseres zich lichamelijk (ondanks de pijn aan de borststreek) en geestelijk in staat voelde om de gehoren te laten plaatsvinden. Ook zijn er pauzes gehouden. In het nader gehoor heeft de minister meegenomen wat is opgenomen in het Medifirst-rapport. De minister heeft ook een aanvullend gehoor gehouden met eiseres. Daarin is ook weer rekening gehouden met de pijnklachten die eiseres heeft en haar gevoelens van angst en oplopende spanning. Verder heeft de minister in de besluitvorming eerst het referentiekader van eiseres omschreven. Daarin staat dat uit onderzoek van Medifirst is gebleken dat eiseres gehoord kan worden maar dat zij voldoende pauzes en iets te drinken moet krijgen. Uit de gehoren blijkt dat er pauzes zijn gehouden. De rechtbank is verder van oordeel dat niet valt in te zien hoe het voorgaande kan afdoen aan de tegenwerpingen met betrekking tot de verklaringen van eiseres over haar asielmotief, zoals hiervoor benoemd. Eiseres heeft niet concreet gemaakt hoe haar gestelde traumatische gebeurtenissen een rol spelen bij de tegenwerpingen aan de hand van de gehoren. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft kunnen stellen dat uit de littekens die eiseres heeft laten zien niet kan worden afgeleid dat die komen omdat zij door de Ugandese autoriteiten zou zijn aangevallen.
Heeft eiseres zo spoedig mogelijk haar asielaanvraag ingediend?
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.
8.1.
Een asielaanvraag is zo spoedig mogelijk gedaan als deze binnen 48 uur na binnenkomst is ingediend. [7] Als de aanvraag na deze termijn is ingediend en daar een goede reden voor is, dan geldt de aanvraag alsnog als zo spoedig mogelijk ingediend. De minister werpt terecht tegen dat eiseres haar aanvraag pas vier maanden na inreis in Nederland heeft ingediend, en bijna drie maanden na het verlopen van haar visum. De minister hoefde de verklaring van eiseres dat zij niet wist dat en hoe zij een asielaanvraag kon indienen niet te zien als goede reden. Het lag op de weg van eiseres om, gezien haar gestelde vrees, zo snel mogelijk internationale bescherming in te roepen. Eiseres heeft ook contacten gehad met de gemeente en de familie van haar overleden man en heeft anderen om hulp gevraagd. Dat eiseres een trauma zou hebben opgelopen door de ongelukkige gestelde omstandigheden, maakt niet anders dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij niet eerder zou hebben kunnen weten van de mogelijkheid om een asielaanvraag in te dienen.
Tussenconclusie
9. Gelet op het voorgaande heeft de minister de verklaringen over de problemen met autoriteiten op goede gronden ongeloofwaardig geacht. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet valt in te zien dat eiseres’ gestelde verblijf bij de LRA, van 2003/2004 tot 2006, op dit moment nog tot extra aandacht vanuit de autoriteiten zou leiden. Deze onderdelen van het asielrelaas zijn daarom bij de beoordeling van eiseres’ vrees voor vervolging of ernstige schade terecht buiten beschouwing gelaten. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 8 van Pro het EVRM
10. De rechtbank merkt tot slot het volgende op. De minister heeft in de besluitvorming aan eiseres geen verblijfsvergunning toegekend op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. In de zienswijze heeft eiseres daarop gereageerd. De minister heeft het standpunt van eiseres hierover meegenomen in het bestreden besluit. Eiseres heeft verder in haar beroepsgronden niet uitgelegd of en waarom het standpunt van de minister hierover onjuist is. De rechtbank zal hier daarom verder niet op in gaan.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr.B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL24.43396.
2.Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
3.UNHCR, Beyond Proof: Credibility Assessment in EU Asylum Systems van 2013.
4.EUAA-rapport: Practical Guide on Evidence and Risk Assessment (2024) and Evidence and Credibility Assessment (2015) van 2024.
5.UNHCR, Interviewing Applicants for Refugee Status van 1995.
6.Eiseres verwijst naar de zaken Tala v. Zweden (1996), Karoui v. Zweden (2002), Halil Haydin v. Zweden (1998), R.C. v. Zweden (EHRM, 2010), Verenigd Koninkrijk-zaken uit het Amnesty International-rapport (2013), Mibanga v. SSHD (2005), Ilias en Ahmed v. Hongarije (EHRM, 2019).
7.Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000 en paragraaf C1/4.3.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000.