Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11077

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
26/639
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen plaatsing op lijst uitsluitingen parkeervergunning Gouda

Verzoekers, bewoners van de binnenstad van Gouda, zijn sinds vorig jaar met hun woonadres geplaatst op de Lijst uitsluitingen parkeervergunningen Gouda, waardoor zij volgens verweerder geen recht meer hebben op een reguliere parkeervergunning. Verzoekers kunnen alleen een duurdere open sectorgebonden parkeerterreinvergunning aanvragen, wat zij betwisten vanwege het hogere tarief.

Na behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening op 26 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen. Verweerder stemde in met het bevriezen van de huidige situatie, waarbij verzoekers hun bestaande vergunning behouden tegen hetzelfde tarief, zonder vooruit te lopen op de bodemprocedure.

De voorzieningenrechter benadrukte dat deze voorlopige voorziening een tijdelijk karakter heeft en geen inhoudelijke uitspraak doet over de rechtmatigheid van het besluit. De voorziening geldt tot twee weken na de uitspraak in de beroepsprocedure of tot beëindiging daarvan. Tevens werd verweerder opgedragen het griffierecht van verzoekers te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Verzoekers mogen hun huidige parkeervergunning behouden tegen hetzelfde tarief tot uitspraak in de bodemprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/639
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] e.a., uit [woonplaats], verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder

([gemachtigde 1], mr. [gemachtigde 2] en mr. [gemachtigde 3]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen het plaatsen van de woonadressen van verzoekers op de
Lijst uitsluitingen parkeervergunningen Gouda(LUP).
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 7 februari 2025 de woonadressen van verzoekers geplaatst op de
Lijst uitsluitingen parkeervergunningen Gouda. Dit besluit is bekend gemaakt in het Gemeenteblad. [1] Met het bestreden besluit van 20 januari 2026 op het bezwaar van verzoekers is verweerder grotendeels bij dit besluit gebleven. Het bezwaar is gedeeltelijk gegrond verklaard. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld (SGR 26/727) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Het verzoek is op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: [verzoeker] als verzoeker en als gemachtigde namens de overige verzoekers, [naam] als medeverzoeker, een aantal van de medeverzoekers, en [gemachtigde 1], mr. [gemachtigde 2] en mr. [gemachtigde 3] als gemachtigden van verweerder.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. Verzoekers wonen in de binnenstad van Gouda en hun woonadres staat sinds vorig jaar op de
Lijst uitsluitingen parkeervergunningen Gouda. Volgens verweerder is er sprake van een beperking op het adres en hebben zij daarom in beginsel geen recht op een parkeervergunning. Verzoekers kunnen alleen een aanvraag doen voor een open sectorgebonden parkeerterreinvergunning voor Vossenburchkade (€ 960,- per jaar), of Klein Amerika of Schouwburgplein (€ 1.660,-). Zij zijn het hier niet mee eens, de afgelopen jaren betaalden zij een substantieel lager bedrag per jaar voor een parkeerterreinvergunning.
4. Verweerder heeft eerder de toezegging gedaan dat bij een aanvraag voor een open sectorgebonden parkeerterreinvergunning verzoekers voorrang krijgen op de wachtlijst, mits zij op dit moment ook al beschikken over een parkeerterreinvergunning en zij de open sectorgebonden parkeerterreinvergunning aanvragen vóór 2 maart 2026.
5. Verzoeker heeft beroep ingesteld en het verzoekschrift ingediend mede namens 34 andere bewoners van de binnenstad, die ook bezwaar hadden gemaakt. De machtiging bevat 19 namen en handtekeningen. Verzoeker heeft op zitting op de vraag van de voorzieningenrechter toegelicht dat door het korte tijdsbestek nog niet iedere medeverzoeker in de gelegenheid is geweest de machtiging persoonlijk te ondertekenen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de machtiging in de beroepszaak nog wordt aangevuld met de overige namen. Verweerder heeft hier op zitting geen uitdrukkelijk bezwaar tegen gemaakt.
6. De vraag of de woonadressen van verzoekers terecht op de
Lijst uitsluitingen parkeervergunningen Goudazijn geplaatst, en of de gevolgen daarvan evenredig zijn, is zonder nadere bestudering niet makkelijk te beoordelen. De voorlopige voorzieningenprocedure (een spoedprocedure) leent zich niet voor een dergelijke inhoudelijke beoordeling. De rechtbank zal dit daarom in de bodemprocedure beoordelen. In een dergelijk geval beperkt de voorzieningenrechter zich dan verder alleen nog tot een afweging van de belangen van verzoekers en verweerder in het kader van de gevraagde voorlopige voorziening.
7. Verweerder heeft op zitting op de vraag van de voorzieningenrechter meegedeeld dat hij instemt met het bevriezen van de huidige situatie, maar dan wel zonder dat daarbij op enigerlei wijze vooruitgelopen wordt op de uitkomst van de bodemprocedure. Dit houdt concreet in dat verzoekers niet vóór 2 maart 2026 een aanvraag hoeven te doen voor een open sectorgebonden parkeerterreinvergunning en dat zij kunnen blijven parkeren onder dezelfde voorwaarden als zij onder hun huidige parkeerterreinvergunning doen, tegen betaling van hetzelfde tarief per jaar. Dit komt er in feite op neer dat de huidige vergunning zijn geldigheid behoudt totdat in beroep uitspraak is gedaan of totdat het beroep op een andere manier wordt beëindigd.
8. Verweerder heeft ook meegedeeld dat in het geval dat het beroep later ongegrond wordt verklaard, het bedrag dat verzoekers dan te weinig hebben betaald voor de parkeerterreinvergunning niet met terugwerkende kracht alsnog wordt geheven. De voorzieningenrechter gaat er daarbij vanuit dat in dat geval verzoekers direct een open sectorgebonden parkeerterreinvergunning kunnen aanvragen en dat zij niet alsnog op een wachtlijst zullen worden geplaatst.
9. Verzoekers zien hierin geen aanleiding om het verzoek in te trekken, omdat zij graag willen dat de voorzieningenrechter (schriftelijk) uitspraak doet op het verzoek.
10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen in de door verweerder toegezegde vorm. Deze voorziening geldt in beginsel voor verzoeker en zijn 34 andere buurtbewoners. Daarbij gaat de voorzieningenrechter er wel vanuit dat zij die nog niet op de machtiging staan, deze zo snel mogelijk in de beroepszaak tekenen. Als dit niet gebeurt vallen die bewoners, mogelijk achteraf bezien, alsnog buiten de voorziening.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft een voorlopige voorziening gedurende de beroepsprocedure. Nu verweerder tegemoet komt aan het verzoek wordt aanleiding gezien te bepalen dat verweerder het griffierecht aan verzoekers vergoedt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat verder geen aanleiding.
12. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de volgende voorlopige voorziening:
- zij draagt verweerder op om verzoekers in staat te stellen om te kunnen blijven parkeren onder dezelfde voorwaarden als onder hun huidige parkeerterreinvergunning, tegen betaling van hetzelfde tarief per jaar;
- bepaalt dat de voorziening geldt tot twee weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de beroepsprocedure of tot die procedure op een andere manier is beëindigd;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoekers vergoedt.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026 door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.