ECLI:NL:RBDHA:2026:11045
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen indiening lp-aanvraag tijdens beroepsfase asiel
Verzoeker diende op 5 november 2022 een asielaanvraag in die op 3 juni 2025 door de minister werd afgewezen. Verzoeker stelde beroep in tegen deze afwijzing. Tijdens de beroepsfase maakte de minister kenbaar op 7 mei 2026 een aanvraag voor een laissez-passer (lp) te willen indienen bij de autoriteiten van Azerbeidzjan, het vermoedelijke land van herkomst van verzoeker.
Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de indiening van de lp-aanvraag te voorkomen zolang het beroep nog niet was beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister in beginsel persoonsgegevens mag verstrekken aan het land van herkomst voor nationaliteitsvaststelling, mits dit zorgvuldig gebeurt en het beginsel van non-refoulement en de doeltreffendheid van het beroep niet worden geschonden.
Verzoeker stelde dat de lp-aanvraag persoonsgegevens bevat die asielgerelateerd zijn en schadelijk kunnen zijn, mede vanwege de negatieve belangstelling van de Azerbeidzjaanse autoriteiten en de asielstatus van zijn ex-vrouw in Duitsland. De voorzieningenrechter vond echter dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de lp-aanvraag schadelijke persoonsgegevens bevat en dat hij voldoende betrokken was bij de procedure. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening om de indiening van de lp-aanvraag te voorkomen wordt afgewezen.