Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Procesverloop
Wat aan deze procedure voorafging
Beoordeling door de rechtbank
ook” in de zinssnede “
In haar vroege jeugd heeft hijookverzorgingstaken op zich genomen (…)” (onderlijning door de rechtbank) impliceert volgens eiser dat hij deze verzorgingstaken nog steeds op zich neemt. Volgens de minister impliceert het dat eiser deze taken na de vroege jeugd van [minderjarige] niet meer op zich nam. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft in de bezwaarfase een verklaring van de moeder van [minderjarige] van 20 maart 2023 overgelegd. Tijdens de hoorzitting op 23 oktober 2024 heeft de minister eiser erop gewezen dat hij een verklaring van de moeder van [minderjarige] kan overleggen die wat uitgebreider en concreter beschrijft welke zorg- en opvoedingstaken eiser feitelijk voor [minderjarige] verricht. Eiser heeft vervolgens de verklaring van 13 november 2024 overgelegd, maar de rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaring nog steeds niet blijkt welke taken eiser nu feitelijk verricht voor [minderjarige] . De rechtbank volgt het standpunt van de minister in het bestreden besluit dat de verklaring van de moeder van [minderjarige] dat eiser bijna altijd in de nabijheid van [minderjarige] is of dat hij leuke activiteiten met [minderjarige] onderneemt, nog niet maakt dat eiser meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken verricht voor [minderjarige] . Ook betreft het alleen een subjectieve verklaring van de moeder van [minderjarige] en is hetgeen is verklaard niet met objectieve bewijsstukken onderbouwd. Hierbij is meegewogen dat de moeder van [minderjarige] haar primaire verzorger is en eenhoofdig gezag heeft over [minderjarige] . Hieruit blijkt dat het belangrijkste deel van de zorg- en opvoedingstaken bij haar moeder ligt. De beroepsgrond slaagt niet.
Dit verslag is besproken met school en ouders.”Echter wordt eiser in dit advies én het hierboven genoemde onderzoeksverslag van 14 januari 2021 niet genoemd, anders dan dat in het advies is vermeld dat het is besproken met de ouders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze stukken onvoldoende mogen achten om een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en [minderjarige] aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.