ECLI:NL:RBDHA:2026:11043
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na afwijzing verblijfsvergunning
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 15 december 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 24 maart 2026, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde niet aanwezig waren, maar de minister wel werd vertegenwoordigd. Op dezelfde dag deed de rechtbank uitspraak in het hoofdberoep (zaaknummer NL25.61421).
Gezien de uitspraak in het hoofdberoep achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan op 10 april 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in het hoofdberoep.