ECLI:NL:RBDHA:2026:11043

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
NL25.61422
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielzaak na afwijzing verblijfsvergunning

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 15 december 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde hiertegen beroep in en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 24 maart 2026, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde niet aanwezig waren, maar de minister wel werd vertegenwoordigd. Op dezelfde dag deed de rechtbank uitspraak in het hoofdberoep (zaaknummer NL25.61421).

Gezien de uitspraak in het hoofdberoep achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan op 10 april 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in het hoofdberoep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61422

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

Procesverloop

1.1
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 december 2025 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep (met zaaknummer NL25.61421), op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde waren, met bericht van verhindering, niet aanwezig. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.61421, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.C. Hummel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.