Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11029

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
C/09/698636 / FA RK 26-910
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening exclusief gebruik woning en toevertrouwing minderjarige tijdens echtscheidingsprocedure

De man en vrouw, beiden onder bewind, zijn gehuwd en ouders van een minderjarige geboren in 2016. Tijdens hun echtscheidingsprocedure verzochten zij voorlopige voorzieningen omtrent het gebruik van de echtelijke woning en de zorg voor het kind.

De rechtbank overwoog dat vanwege spanningen in de woning en het belang van het kind het wenselijk is dat de ouders niet samen in de woning verblijven, maar het kind wel in de vertrouwde omgeving blijft. De vrouw werkt parttime en is daardoor meer beschikbaar voor de dagelijkse zorg, waardoor het kind aan haar wordt toevertrouwd en zij het exclusieve gebruik van de woning krijgt. De man krijgt een termijn van drie maanden om een andere woning te vinden.

De voorlopige zorgregeling bepaalt dat het kind drie weekenden per maand van vrijdag na school tot maandag naar school bij de man verblijft, omdat de man nog geen zelfstandige woonruimte heeft. De man zal vanaf 1 april 2026 een voorlopige kinderalimentatie van €100 per maand betalen. De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst overige verzoeken af.

Uitkomst: De vrouw krijgt het exclusieve gebruik van de woning en de toevertrouwing van het kind, met een zorgregeling en voorlopige kinderalimentatie; de man moet de woning binnen drie maanden verlaten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-910
Zaaknummer: C/09/698636
Datum beschikking: 30 maart 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 29 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bewindvoerder: [naam 1] van Green Heart Bewindvoering te Oudewater,
advocaat: mr. A. Vogelaar te Krommenie.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
bewindvoerder: [naam 2] van Tot je recht bewind te Amsterdam,
advocaat: mr. P. Celikkal te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweer met zelfstandige verzoeken van 12 maart 2026 van de vrouw;
  • het bericht van 16 maart 2026, met bijlage, van de vrouw.
Op 16 maart 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw bijgestaan door haar advocaat, [naam 3] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De advocaten hebben tijdens de zitting bevestigd dat zij ook optreden namens de bewindvoerders.

Feiten

  • De man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 2014 te [plaats] .
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
  • De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .
  • De echtscheidingsprocedure is bij de rechtbank bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/698887 en FA RK 26-1074.
  • De man en de vrouw staan beiden onder bewind.

Verzoek en verweer

De man verzoekt – uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning aan de [adres] .
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – wordt besproken. Hiernaast verzoekt de vrouw zelfstandig – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad –:
  • te bepalen dat de vrouw gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] ;
  • te bepalen dat [de minderjarige] voorlopig aan de vrouw wordt toevertrouwd:
  • een zorgregeling vast te stellen waarbij de man [de minderjarige] iedere zondag van 12:00 uur tot 18:00 uur bij zich heeft;
  • te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] betaalt van € 200,- per maand.

Beoordeling

De rechtbank begrijpt de verzoeken van beide partijen zo dat deze zijn gebaseerd op artikel 822 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) en niet op artikel 223 Rv Pro, omdat het hier gaat om voorlopige voorzieningen gedurende een echtscheidingsprocedure.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning en toevertrouwing
De man en de vrouw wonen op dit moment nog samen in de echtelijke woning met [de minderjarige] . Zij hebben tijdens de zitting allebei aangegeven dat er tussen hen veel spanningen zijn thuis en dat [de minderjarige] daar last van heeft. Hierdoor is het niet langer wenselijk dat zij samen in de woning blijven wonen. Zij vinden het allebei belangrijk dat [de minderjarige] wel in de woning kan blijven wonen. De man en de vrouw hebben allebei een verzoek gedaan om gedurende de echtscheidingsprocedure met uitsluiting van de ander gerechtigd te zijn tot het gebruik van de echtelijke woning. Zowel de man als de vrouw heeft aangegeven op korte termijn geen andere woonruimte te hebben; zij kunnen alleen af en toe ergens anders logeren. De rechtbank zal daarom een belangenafweging maken en ook een beslissing nemen over de toevertrouwing van [de minderjarige] .
De rechtbank zal bepalen dat [de minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd. De vrouw werkt parttime (16 uur per week) en de man werkt fulltime. De vrouw is hierdoor meer beschikbaar voor de dagelijkse verzorging en opvang van [de minderjarige] na school. De rechtbank vindt het daarom in het belang van [de minderjarige] om hem aan de vrouw toe te vertrouwen.
De rechtbank zal alle belangen afwegende ook bepalen dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning krijgt. Zo kan [de minderjarige] voorlopig in zijn vertrouwde omgeving blijven wonen met de ouder die meer mogelijkheden heeft om de dagelijkse zorg voor hem op zich te nemen. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de man afwijst en de verzoeken van de vrouw toewijst. Hierbij zal de rechtbank wel opnemen dat de man – zoals tijdens de zitting is besproken – een termijn krijgt van drie maanden om een andere woning te vinden. Dat betekent dat de man de woning uiterlijk op 1 juli 2026 moet verlaten.
Voorlopige zorgregeling
De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij regelmatig contact heeft met de man. Het voorstel van de vrouw dat [de minderjarige] iedere zondag van 12.00 uur tot 18.00 uur bij de man is, is naar het oordeel van de rechtbank te beperkt. De wens van de man om de zorg voor [de minderjarige] nu 50-50 te verdelen, vindt de rechtbank niet haalbaar omdat de man nog geen andere (tijdelijke) woonruimte heeft. De rechtbank zal als voorlopige zorgregeling vastleggen dat [de minderjarige] drie weekenden per maand van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man is. Wat meer of anders is verzocht over de voorlopige zorgregeling zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank vermeldt nadrukkelijk nog dat de man zich maximaal moet inspannen om zo snel mogelijk over zelfstandige woonruimte te beschikken. Voor de zorgregeling is het namelijk cruciaal dat [de minderjarige] bij de man in een eigen woning kan verblijven.
Voorlopige kinderalimentatie
De ouders hebben tijdens de zitting afgesproken dat de man met ingang van 1 april 2026 aan de vrouw een voorlopige kinderalimentatie voor [de minderjarige] van € 100,- per maand zal betalen. De rechtbank zal deze afspraak opnemen in het dictum van de beschikking omdat zij die afspraak in het belang van [de minderjarige] acht. Wat eerder meer of anders is verzocht beschouwt de rechtbank als ingetrokken.
Hulpverlening
De ouders hebben tijdens de zitting aangegeven dat zij zelf via Tom in de Buurt of Oog voor Thuis hulpverlening zullen regelen voor [de minderjarige] en voor henzelf.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres] en beveelt dat de man de woning uiterlijk op 1 juli 2026 dient te verlaten en daarna verder niet mag betreden;
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] ,
aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
*
bepaalt als voorlopige zorgregeling dat [de minderjarige] bij de man is: drie weekenden per maand van vrijdag uit school tot maandag naar school;
*
stelt vast dat de man aan de vrouw, met ingang van 1 april 2026, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 100,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 30 maart 2026.