Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11024

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
NL26.5510
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 3.119 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 29 Vw 2000Art. 10 KwalificatierichtlijnArt. 7 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken nieuw voornemen, rechtsgevolgen in stand gelaten

Eiser, een Egyptische nationaliteit, diende op 1 november 2024 een asielaanvraag in die op 28 januari 2026 door de minister werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht concludeerde dat eiser geen verdragsvluchteling is en bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt.

De rechtbank stelt vast dat de minister pas in het bestreden besluit een gewijzigd standpunt innam over de geloofwaardigheid van het asielrelaas en de vraag of eiser verdragsvluchteling is, zonder een nieuw voornemen uit te brengen. Dit is een schending van de zorgvuldigheid, waardoor het besluit wordt vernietigd.

Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat eiser alsnog de gelegenheid heeft gehad om te reageren en de minister zijn standpunt voldoende heeft gemotiveerd. De asielaanvraag blijft derhalve afgewezen. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens het ontbreken van een nieuw voornemen, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en de asielaanvraag blijft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5510

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.A.M. Janssen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister is terecht tot de conclusie gekomen dat eiser geen verdragsvluchteling is en bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Verder heeft de minister terecht geen toepassing gegeven aan het traumatabeleid. Wel had de minister vóór het nemen van het bestreden besluit een nieuw voornemen moeten uitbrengen. De rechtbank vernietigt gelet hierop het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 1 november 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1999. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in Egypte sinds april of mei 2022 problemen met zijn vader en ooms, omdat zijn tante hem – nadat zij met hem over seksuele onderwerpen sprak – ten onrechte heeft beschuldigd van verkrachting. Eiser is door hen mishandeld, opgesloten en met de dood bedreigd. Toen eiser is vrijgelaten, is hij vetrokken en heeft hij drie maanden rondgezworven in Egypte. Daarna is hij naar Europa gereisd. Eiser vreest om te worden geëxecuteerd bij terugkeer.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen met familie.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De minister vindt ook de problemen van eiser met zijn familie geloofwaardig. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser op grond van deze asielmotieven in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet als verdragsvluchteling kan worden aangemerkt en bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als ongegrond.
Had de minister een nieuw voornemen moeten uitbrengen?
5. Eiser betoogt dat de minister een nieuw voornemen had moeten uitbrengen. De minister heeft zich, in het kader van de vraag of eiser verdragsvluchteling is, pas in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser bescherming kan vragen bij de Egyptische autoriteiten. De minister heeft eiser daarmee ten onrechte de mogelijkheid ontnomen om hier in de zienswijze op te reageren.
5.1.
De minister moet (onder meer) een nieuw voornemen uitbrengen als reeds bekende feiten en omstandigheden naar aanleiding van de zienswijze anders worden beoordeeld of gewogen, dit voor het nemen van de beslissing van aanmerkelijk belang is en de minister voornemens blijft om de asielaanvraag af te wijzen. [1]
5.2.
In het voornemen vond de minister de problemen van eiser met zijn familie niet geloofwaardig en is de vraag of eiser om die reden een verdragsvluchteling is niet inhoudelijk beoordeeld. De minister heeft hier in het bestreden besluit – naar aanleiding van de zienswijze – een gewijzigd standpunt over ingenomen, in die zin dat deze problemen nu wel geloofwaardig worden geacht. Het gevolg hiervan is dat de minister pas in het bestreden besluit inhoudelijk heeft beoordeeld of eiser om deze reden kan worden aangemerkt als een verdragsvluchteling. [2] De afwijzing van de asielaanvraag is daarmee niet langer is gestoeld op de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser, maar (mede) op de negatieve beantwoording van de vraag of eiser verdragsvluchteling is. Daarom heeft in het bestreden besluit een zodanig andere weging van de feiten en omstandigheden van het asielrelaas van eiser plaatsgevonden, dat de minister in dit geval gehouden was om een nieuw voornemen uit te brengen. Dat heeft de minister niet gedaan, zodat aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek kleeft. De rechtbank zal hierna beoordelen wat de gevolgen hiervan zijn.
Had de minister eiser aan moeten merken als een verdragsvluchteling?
6. Eiser betoogt dat hij verdragsvluchteling is [3] en aan hem op grond daarvan een verblijfsvergunning had moeten worden verleend.
Vervolgingsgrond: sociale groep
6.1.
Eiser betoogt in dit verband allereerst dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat in het geval van eiser geen sprake is van een grond van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser wijst op het Verdrag van Istanbul, dat ziet op alle vormen van huiselijk geweld, waaronder geweld dat plaatsvindt binnen de familiale sfeer. Eiser heeft daarmee te maken gehad, omdat zijn oom geweld tegen hem heeft gebruikt. De minister heeft niet onderkend dat dit geweld samenhangt met zijn gedragingen en met de normen rondom seksualiteit en eer binnen de familie. Dit raakt aan gendergerelateerd geweld en sociale normen, die onder de beschermingsomvang van het Vluchtelingenverdrag vallen. Eiser betoogt daarom dat hij behoort tot een sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
6.1.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser in het verleden te maken heeft gehad met een daad van vervolging en bij terugkeer naar Egypte voor herhaling daarvan vreest. Het is wel in geschil of deze daad van vervolging verband houdt met één van de vervolgingsgronden uit het Vluchtelingenverdrag. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat dit niet het geval is. Een daad van vervolging kan slechts leiden tot vluchtelingschap als deze plaatsvindt om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een sociale groep
.Van een ‘sociale groep’ is (onder andere) sprake als de leden van deze groep een aangeboren kenmerk of een gemeenschappelijke achtergrond hebben dat of die niet kan worden gewijzigd en in hun directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd. [4] Eiser heeft op zitting toegelicht dat hij hoort tot een sociale groep van mannen die in Egypte vrezen voor eerwraak. Dat de tante van eiser seksuele onderwerpen met hem besprak, dat eiser valselijk is beschuldigd van een zedenmisdrijf en dat eiser is mishandeld, maakt echter niet dat eiser een onveranderlijk(e) aangeboren kenmerk of een met anderen gemeenschappelijke achtergrond heeft, noch dat hij in zijn directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd. Het valt daarom niet in te zien waarom eiser in Egypte behoort tot een sociale groep. De enkele verwijzing naar het Verdrag van Istanbul maakt dat niet anders. Hoewel dit verdrag onder meer als doel heeft om eerwraak tegen te gaan en slachtoffers daarvan te beschermen, laat dat onverlet dat aan de hand van het Vluchtelingenverdrag en de Kwalificatierichtlijn wordt getoetst of eiser als gevolg van eerwraak verdragsvluchteling is. Aan die definitie voldoet eiser, zoals overwogen, niet. Alleen al daarom is hij geen verdragsvluchteling.
Bescherming door de Egyptische autoriteiten
6.2.
In het kader van de vraag of eiser verdragsvluchteling is, is ook van belang of hij bescherming kan inroepen bij de Egyptische autoriteiten tegen daden van vervolging door zijn familie. [5] Eiser betoogt dat dit niet het geval is. Omdat de rechtbank hiervoor echter heeft overwogen dat in het geval van eiser geen sprake is van vervolging vanwege een vervolgingsgrond, hoeft de rechtbank niet meer te bespreken of eiser de bescherming van de Egyptische autoriteiten kan inroepen.
Conclusie over deze beroepsgrond
6.3.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Eiser is terecht niet aangemerkt als verdragsvluchteling.
Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
7. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser is eerder blootgesteld aan ernstige mishandelingen, waardoor op de minister de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat eiser bij terugkeer niet opnieuw in eenzelfde of vergelijkbare situatie zal raken.
7.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden is blootgesteld aan ernstige schade, is een aanwijzing dat zijn vrees voor vervolging of ernstige schade gegrond is. [6] Eiser heeft drie maanden op verschillende plekken verbleven in Egypte en gedurende deze periode geen problemen meer ondervonden aan de zijde van zijn familie. De minister heeft terecht geconcludeerd dat dit een indicatie is die aannemelijk maakt dat eiser niet opnieuw in zo’n situatie terecht zal komen. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor een andere conclusie.
Had de minister het traumatabeleid moeten toepassen?
8. Eiser betoogt dat de minister op grond van het traumatabeleid tot inwilliging van de asielaanvraag moeten overgaan, en anders had moeten motiveren waarom het traumatabeleid niet van toepassing is. [7] Omdat het asielrelaas geloofwaardig is geacht, wordt het trauma van eiser verondersteld en behoeft dit niet met stukken te worden onderbouwd. Uit het overgelegde medische dossier volgt bovendien dat sprake is van PTSS-klachten en dat eiser is doorverwezen naar de GGZ.
8.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid voldoet. [8] Nog daargelaten de vraag of eiser zijn gestelde trauma voldoende heeft onderbouwd, zijn de daden als gevolg waarvan eiser een trauma stelt te hebben niet veroorzaakt door de autoriteiten van het land van herkomst, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden. Dat heeft de gemachtigde van eiser op de zitting ook erkend. De minister heeft ook geen aanleiding hoeven zien om met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af te wijken van het traumatabeleid. Eiser heeft namelijk niet geconcretiseerd waarom de minister van zijn beleid had moeten afwijken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is, gelet op wat hiervoor onder 5.2 is overwogen, gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. [9] Eiser heeft in beroep immers alsnog de gelegenheid gehad om op het standpunt van de minister over vluchtelingschap en ernstige schade te reageren, en de minister heeft dat standpunt – zoals hiervoor overwogen – voldoende gemotiveerd. Dat betekent dat eiser uiteindelijk geen gelijk krijgt en zijn asielaanvraag afgewezen blijft.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister wel de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1 Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
2.Vergelijk paragraaf C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
3.Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
4.Vergelijk artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn.
5.Zie artikel 7, onder c, en 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn.
6.Dit volgt uit artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000.
7.Eiser wijst op paragraaf C2/3.3.2.2 van de Vc 2000.
8.Dat traumatabeleid staat in artikel C2/3.3.2.2 van de Vc 2000.
9.De rechtbank geeft daarbij toepassing aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb.