ECLI:NL:RBDHA:2026:11022
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 11 maart 2025 afgewezen en is bij het bezwaarbesluit van 21 mei 2025 bij die afwijzing gebleven.
Tegen dit besluit heeft verzoeker beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met de behandeling van het beroep op 5 maart 2026 behandeld.
De rechtbank heeft bij uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.27219) op dezelfde dag uitspraak gedaan, waardoor de voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld en uitspraak is gedaan.