Eiser, een Iraakse vreemdeling geboren in 2006, is door verweerder in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel is genomen vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zal onderduiken.
Eiser heeft het beroep schriftelijk ingediend en betwist de gronden van de bewaring niet. De rechtbank oordeelt dat de gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht zijn, en dat het risico op onderduiken hiermee is vastgesteld. Eiser stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast, zoals een semi-vrije setting, maar de rechtbank volgt dit niet omdat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend is.
Verweerder heeft onder meer aangevoerd dat eiser illegaal naar het Verenigd Koninkrijk wil reizen en niet wil terugkeren naar Bulgarije. Er zijn geen omstandigheden gebleken die de bewaring onredelijk bezwarend maken. De rechtbank concludeert dat de maatregel niet onrechtmatig is geweest en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.