Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11013

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24258
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onttrekkingsrisico

Eiser, met de Poolse en Duitse nationaliteit, is geconfronteerd met een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. De maatregel is gebaseerd op het risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken en de uitzettingsprocedure zal ontwijken.

Eiser heeft het beroep schriftelijk ingediend en de gronden van het bestreden besluit niet betwist. De rechtbank stelt vast dat de gronden feitelijk juist en voldoende toegelicht zijn, en dat het significante risico op onttrekking hiermee is aangetoond. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat geen lichter middel toepasbaar is, maar de rechtbank volgt dit niet.

Verweerder heeft gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend is, mede gelet op eerdere uitzettingen van eiser, zijn status als overlastgevende dak- en thuisloze, en zijn medische situatie. De rechtbank acht de medische zorg in detentie gelijkwaardig aan die in de vrije maatschappij. De ambtshalve toets leidde niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24258

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 5 mei 2026 de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 7 mei 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek daarna op 7 mei 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1990 en de Poolse en Duitse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het significante risico op onttrekking hiermee is gegeven.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat geen lichter middel kan worden toegepast. Aan eiser had de keuze moeten worden geboden om vanuit een semi-vrije setting zijn medewerking aan verwijdering te verlenen.
5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Daarbij heeft verweerder onder meer van belang kunnen achten dat eiser al twee keer eerder is uitgezet en dat hij bekend staat als overlastgevende dak- en thuisloze. Verder heeft verweerder eisers medische situatie betrokken bij de afweging om al dan niet een lichter middel toe te passen. Eiser heeft in het detentiecentrum toegang tot medische zorg die gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft tot slot voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die bewaring voor eiser onredelijk bezwarend maken.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 8 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.