ECLI:NL:RBDHA:2026:10920

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
C/09/682426 / FA RK 25-2233
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingBesluit DNA-onderzoek vaderschap 20 oktober 2008Rijkswet op het Nederlanderschap, artikel 4 lid 4
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling ouderschap na vernietiging erkenning met DNA-onderzoek

De rechtbank Den Haag behandelt een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van een minderjarige na vernietiging van de eerdere erkenning door de juridisch vader. De moeder en de vermeende biologische vader zijn er niet in geslaagd om gezamenlijk tot een nieuwe erkenning te komen.

De bijzondere curator heeft het belang van de minderjarige benadrukt en verzocht om een snelle juridische vaststelling van het vaderschap. Omdat er geen aanvullend bewijs is overgelegd, beveelt de rechtbank een DNA-onderzoek om met zekerheid het vaderschap vast te stellen.

De rechtbank benoemt een deskundige van Verilabs Nederland B.V. voor het uitvoeren van het DNA-onderzoek en stelt strikte voorwaarden aan het rapport, waaronder accreditatie van het laboratorium en ondertekening door een gekwalificeerde deskundige. Partijen worden verplicht mee te werken en de kosten worden voorlopig aan de moeder toegerekend, die een toevoeging heeft.

De procedure wordt aangehouden tot ontvangst van het DNA-rapport en partijen worden uitgenodigd om uiterlijk 1 juli 2026 te reageren op het deskundigenonderzoek en de voortgang van de procedure. Indien partijen niet meewerken, kan de rechtbank een nadelige gevolgtrekking maken conform artikel 22 Rv Pro.

Uitkomst: De rechtbank beveelt DNA-onderzoek om het vaderschap vast te stellen en houdt de procedure aan tot ontvangst van het rapport en reactie van partijen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2233
Zaaknummer: C/09/682426
Datum beschikking: 7 april 2026

Gerechtelijke vaststelling ouderschap na vernietiging erkenning

Beschikking op het op 27 februari 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder] ,

verzoekster / de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.J.H. Vinke te Hoofddorp,
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de man] ,

de vermeende biologische vader, hierna: [de man] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
en

de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] ,

hierna: [minderjarige] ,
in rechte vertegenwoordigd door mr. Y.M. Bérénos, advocaat te Leiden,
in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Procedure

Bij beschikking van 11 september 2025 heeft deze rechtbank:
  • de moeder en de juridisch vader, [naam] , niet ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot vernietiging van de erkenning;
  • de erkenning van [minderjarige] door de juridisch vader vernietigd;
  • de griffier – onder de voorwaarde dat de beslissing tot vernietiging van de erkenning onherroepelijk is geworden – gelast in het gezagsregister met betrekking tot [minderjarige] een latere vermelding van deze rechterlijke beslissing tot vernietiging van de erkenning toe te voegen;
  • de moeder en [de man] in de gelegenheid gesteld om de erkenning van de [minderjarige] door [de man] gezamenlijk te regelen, waarna een akte van erkenning zal worden ingediend bij de rechtbank door de advocaat van de moeder, met een kopie aan de bijzondere curator;
  • mocht de erkenning niet plaats hebben gevonden, de bijzondere curator en de advocaat van de moeder verzocht om uiterlijk op na te melden pro forma datum een standpunt in te nemen over de gewenste voortgang van de procedure;
  • iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van het gerechtelijk ouderschap aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:
- de brief van 23 januari 2026 van de bijzondere curator;
- de brief van 28 januari 2026 namens de moeder;
- het bericht van 13 maart 2026 namens de moeder.
De behandeling van de zaak is zonder zitting verder afgedaan.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
In deze procedure ligt nog voor het zelfstandig verzoek van de bijzondere curator tot vaststelling van het gerechtelijk ouderschap van [de man] over [minderjarige] .
In de brief van 23 januari 2026 heeft de bijzondere curator benadrukt het in het belang van [minderjarige] te vinden dat de juridische werkelijkheid zo snel mogelijk in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. Na het verlopen van de beroepstermijn heeft de bijzondere curator de moeder en [de man] benaderd met de vraag of de erkenning heeft plaatsgevonden, maar de bijzondere curator heeft hierop geen reactie ontvangen. De bijzondere curator persisteert dan ook bij haar verzoek tot vaststelling van het gerechtelijk ouderschap, voor zover de erkenning nog niet heeft plaatsgevonden, en verzoekt de rechtbank hiertoe een beslissing te nemen.
Namens de moeder heeft haar advocaat in de brief van 28 januari 2026 verzocht om een nader uitstel en nog niet over te gaan tot de gerechtelijke vaststelling. De moeder zou hebben geprobeerd met [de man] afspraken te maken over de erkenning door hem van [minderjarige] , maar dit was tot dan toe nog niet gelukt. De moeder hoopt alsnog samen met [de man] de erkenning van [minderjarige] te gaan regelen.
Op 13 maart 2026 heeft de advocaat van de moeder de rechtbank bericht dat zij geen contact meer heeft gehad met de moeder en dat daarom onbekend is of [de man] [minderjarige] heeft erkend.
Uit de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat de moeder en [de man] de erkenning van de [minderjarige] niet gezamenlijk hebben geregeld. De rechtbank is het met de bijzondere curator eens dat het in het belang van [minderjarige] is dat op juridische wijze komt vast te staan wie zijn vader is. De rechtbank stelt voorop dat voor het gerechtelijk vaststellen van het ouderschap van [de man] niet voldoende is dat partijen het erover eens zijn dat [de man] de verwekker van [minderjarige] is. Voor het gerechtelijk vaststellen van het ouderschap van [de man] is aanvullend bewijs van het verwekkerschap van [de man] nodig. Omdat er geen aanvullend bewijs is overgelegd, is de enige manier om nu met zekerheid vast te kunnen stellen dat [de man] de verwekker van [minderjarige] is, door middel van een DNA-onderzoek. De rechtbank zal daarom een dergelijk onderzoek bevelen.
Omdat de moeder en [de man] zich niet hebben uitgelaten over de persoon van de te benoemen deskundige zal de rechtbank zoals gebruikelijk de hierna te melden deskundige benoemen. De rechtbank merkt op dat indien de moeder en/of [de man] niet meewerken aan het onderzoek, de rechtbank daaruit de gevolgtrekking kan maken die haar geraden voorkomt, zoals bedoeld in artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat kan betekenen dat de rechtbank het verzoek van de bijzondere curator toewijst of juist afwijst.
Daar de moeder degene is op wie de bewijslast rust, behoren de kosten van het onderzoek voorshands door haar te worden gedragen. Omdat haar echter een toevoeging is verleend, zal haar ter zake van het deskundigenonderzoek geen voorschot worden opgelegd. De moeder en [de man] dienen er rekening mee te houden dat zij bij de eindbeschikking tot betaling van deze kosten (of ieder een deel ervan) kunnen worden veroordeeld. Bij de beslissing over wie uiteindelijk de kosten moet betalen kan de uitslag van het DNA-onderzoek en de proceshouding van partijen van belang zijn.
De rechtbank zal – omdat van [de man] ter zake zijn medewerking wordt verwacht – vooralsnog de behandeling van het verzoek pro forma aanhouden teneinde de moeder in de gelegenheid te stellen bewijs over te leggen van het al dan niet bestaan van het verwekkerschap van [de man] ten aanzien van de [minderjarige] door middel van een rapport van DNA-onderzoek, waaruit in ieder geval tevens blijkt dat de identiteit van degenen van wie voor onderzoek een monster is afgenomen zorgvuldig is vastgesteld.
Het rapport dient voorts te zijn gedagtekend en ondertekend door een met name genoemd persoon met een daartoe relevante studie die de conclusie van het DNA-onderzoek voor zijn rekening neemt.
In navolging op het Besluit DNA-onderzoek vaderschap van 20 oktober 2008 houdende de vereisten die zijn gesteld aan het vaderschapsonderzoek in verband met erkenning bedoeld in artikel 4, vierde lid Rijkswet op het Nederlanderschap, welk besluit op 1 maart 2009 in werking is getreden, stelt de rechtbank voorts als eis dat uit het rapport dient te blijken dat het onderzoek is verricht in een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007).
De rechtbank zal iedere verdere beslissing ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling ouderschap en de kosten van het deskundigenonderzoek aanhouden in afwachting van de uitkomsten van het DNA-onderzoek en verzoekt (de advocaat van) de moeder, [de man] en de bijzondere curator uiterlijk op na te melden pro forma datum te reageren op het deskundigenonderzoek van Verilabs en zich daarbij ook uit te laten over de voortgang van de procedure.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van
11 september 2025 – :
beveelt een onderzoek door een deskundige van het DNA van:
1. de vermeende biologische vader: [de man] , geboren op [geboortedatum 2] 1986 te
[geboorteplaats 2] , [land] ;
2 de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te
[geboorteplaats 1] ,
en legt aan deze deskundige de vraag voor welke conclusie er aan de hand van zijn bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van [de man] ;
benoemt tot deskundige die het onderzoek zal verrichten en de bovenstaande vraag zal beantwoorden:
een deskundige verbonden aan Verilabs Nederland B.V., Noothoven van Goorstraat 11D, 2806 RA Gouda (telefoonnummer 085-105 1415);
beveelt dat partijen binnen twee weken na de datum van deze beschikking telefonisch een afspraak maken met Verilabs;
bepaalt dat hangende de procedure het ten laste van ’s-Rijks kas betaalde deel van de kosten van het onderzoek voorlopig aan de moeder in debet zal worden gesteld;
bepaalt dat de benoemde deskundige een schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend bericht omtrent zijn onderzoek
uiterlijk op 1 juli 2026, vergezeld van zijn declaratie zal zenden naar de griffie van deze rechtbank, team Familie, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag;
bepaalt dat de griffier van deze rechtbank een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zendt;
bepaalt dat indien partijen aan het hierbij bepaalde niet geheel of gedeeltelijk voldoen, de zaak met toepassing van artikel 22 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering zal worden afgedaan;
bepaalt dat (de advocaat van) de moeder, [de man] en de bijzondere curator uiterlijk op
1 juli 2026 zullen reageren op het deskundigen onderzoek van Verilabs en zich daarbij ook uitlaten over de voortgang van de procedure;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de gerechtelijke vaststelling ouderschap en de kosten van het deskundigenonderzoekaan tot
1 juli 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door
mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 april 2026.