Uitspraak
Beschikking op het op 2 januari 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[de vrouw] ,
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage,
Procedure
Feiten
Verzoek en verweer
Beoordeling
6 september 2021 en 14 januari 2022 op de hoogte was van de werkelijke verblijfplaats van de vrouw in [land] , op basis waarvan de deurwaarder krachtens artikel 55 lid 1 Rv Pro had moeten betekenen. De advocaat van verzoekster heeft op de zitting de stukken uit het dossier toegelicht, waaruit volgt dat de woning van de man nu in eigendom is van de zoon van partijen. In de tijd dat de man in Nederland verbleef en de vrouw in [land] , wist de man dus dat de vrouw in die woning verbleef, aldus de advocaat. Dit standpunt kan de rechtbank niet volgen, omdat verzoekster hier enkel mee aantoont dat de woning van de man sinds zijn overlijden nu in eigendom is van de zoon van partijen, maar niet dat verzoekster daar ten tijde van de echtscheidingsprocedure verbleef. De rechtbank neemt in haar oordeel mee dat de vrouw heeft aangevoerd dat zij in 1967, toen de man naar Nederland vertrok, is achtergebleven in de woning van de man en daar is blijven wonen, terwijl uit het BRP blijkt dat de vrouw van juli 1997 tot oktober 2006 in Nederland heeft gewoond. Ter zitting is dit besproken, maar niet verder toegelicht.