De vader verzocht de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind bij hem vast te stellen en de zorgregeling aan te passen naar een regeling waarbij het kind eens per twee weken van vrijdag tot maandagochtend bij de moeder verblijft. Hij stelde dat de moeder zich niet aan de huidige zorgregeling houdt en dat het kind te veel wisselingen ervaart, wat vermoeidheid veroorzaakt.
De moeder voerde verweer en stelde dat de ouders een 50/50-zorgregeling zijn overeengekomen die wordt nageleefd en in het belang van het kind is. Zij betwistte dat het kind last heeft van wisselmomenten of te vaak naar de crèche gaat.
De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt van een gelijke zorgverdeling blijft gelden en dat er geen aanwijzingen zijn dat de huidige regeling het welzijn van het kind schaadt. De rechtbank wees het verzoek tot wijziging van de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats af, maar verwees partijen naar mediation en het traject Ouderschapsbemiddeling om de communicatie en samenwerking te verbeteren en tot concrete afspraken te komen.
De behandeling van de zaak werd pro forma aangehouden tot 15 november 2026, zodat partijen de uitkomsten van de mediation en hulpverlening kunnen afwachten. De rechtbank benadrukte dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats geen middel is om beter geïnformeerd te worden over het kind, aangezien beide ouders gezamenlijk gezag uitoefenen en recht hebben op informatie.