Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10917

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
C/09/698646 / FA RK 26-913
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling minderjarige afgewezen, mediation opgelegd

De vader verzocht de rechtbank om de hoofdverblijfplaats van het minderjarige kind bij hem vast te stellen en de zorgregeling aan te passen naar een regeling waarbij het kind eens per twee weken van vrijdag tot maandagochtend bij de moeder verblijft. Hij stelde dat de moeder zich niet aan de huidige zorgregeling houdt en dat het kind te veel wisselingen ervaart, wat vermoeidheid veroorzaakt.

De moeder voerde verweer en stelde dat de ouders een 50/50-zorgregeling zijn overeengekomen die wordt nageleefd en in het belang van het kind is. Zij betwistte dat het kind last heeft van wisselmomenten of te vaak naar de crèche gaat.

De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt van een gelijke zorgverdeling blijft gelden en dat er geen aanwijzingen zijn dat de huidige regeling het welzijn van het kind schaadt. De rechtbank wees het verzoek tot wijziging van de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats af, maar verwees partijen naar mediation en het traject Ouderschapsbemiddeling om de communicatie en samenwerking te verbeteren en tot concrete afspraken te komen.

De behandeling van de zaak werd pro forma aangehouden tot 15 november 2026, zodat partijen de uitkomsten van de mediation en hulpverlening kunnen afwachten. De rechtbank benadrukte dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats geen middel is om beter geïnformeerd te worden over het kind, aangezien beide ouders gezamenlijk gezag uitoefenen en recht hebben op informatie.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling afgewezen, partijen verwezen naar mediation en ouderschapsbemiddeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-913
Zaaknummer: C/09/698646
Datum beschikking: 7 april 2026
Wijziging hoofdverblijfplaats en wijziging verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 30 januari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Todorov te Westland.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. de Boorder te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- het F9-formulier van 20 februari 2026 van de zijde van de vader;
- het F9-formulier van 23 februari 2026 van de zijde van de vader;
- het F9-formulier van 27 februari 2026 van de zijde van de moeder;
- het F9-formulier van 2 maart 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen.
Op 10 maart 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder bijgestaan door mr. M. de Bluts als waarnemer;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over de minderjarige uit.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vader luidt:
- te bepalen dat [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] ,
zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;
- te bepalen dat de moeder om het weekend van vrijdagmiddag 13:00 uur tot en
met maandagochtend de zorg voor [minderjarige] draagt;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Wijziging zorgregeling
Op grond van artikel 1:253a, vierde lid, in samenhang met artikel 1:377e, eerste lid, BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of één van hen een door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
De vader verzoekt een wijziging van de zorgregeling. Tijdens de zitting heeft hij toegelicht dat hij deze wijziging wenst omdat de moeder zich enerzijds niet aan de huidige zorgregeling houdt en er anderzijds sprake is van te veel wisselingen. Volgens de vader vraagt de moeder hem regelmatig om [minderjarige] eerder bij haar op te halen of juist langer bij hem te laten verblijven. Daarnaast stelt de vader dat [minderjarige] tijdens de zorgtijd van de moeder regelmatig op de crèche verblijft, terwijl hij op die momenten beschikbaar is om voor [minderjarige] te zorgen. Verder ervaart de vader dat de huidige regeling te veel wisselingen met zich brengt, waardoor [minderjarige] volgens hem vermoeid raakt. De vader gunt [minderjarige] meer rust en stabiliteit. Om die reden verzoekt de vader een regeling waarbij [minderjarige] eens per twee weken van vrijdag tot en met maandagochtend bij de moeder verblijft.
De moeder voert verweer tegen het verzoek tot wijziging van de zorgregeling. Zij stelt dat de ouders, nadat de moeder in september 2025 uit de woning van de vader was vertrokken, in onderling overleg een 50/50-zorgregeling zijn overeengekomen. Volgens de moeder wordt deze regeling nagekomen en bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat deze niet in het belang van [minderjarige] is. De moeder betwist dat [minderjarige] last heeft van de wisselmomenten. Ook gaat [minderjarige] volgens haar niet zodanig vaak naar de crèche dat dit een wijziging van de regeling rechtvaardigt. De moeder stelt dat zij haar aandeel in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op normale wijze vervult.
De rechtbank overweegt als volgt. In september 2025 hebben de ouders gezamenlijk een ouderschapsplan opgesteld, waarin zij zijn overeengekomen dat zij de zorg voor [minderjarige] bij helfte verdelen en dat sprake is van een co-ouderschapsregeling. Tijdens de zitting is de verdeling van de zorgregeling met de ouders besproken. Daarbij hebben beide ouders bevestigd dat zij nog steeds positief tegenover een 50/50-verdeling van de zorg staan. De vader heeft daarbij wel aangegeven dat hij alsnog de voorkeur heeft voor een regeling met minder wisselmomenten.
Tegen deze achtergrond hebben de ouders ter zitting afgesproken dat het uitgangspunt van een 50/50-verdeling van de zorg blijft gelden, maar dat zij nader met elkaar in gesprek zullen gaan over de concrete invulling daarvan. Daarbij kan worden onderzocht of een andere verdeling van de wisselmomenten wenselijk is, mits dit past binnen het uitgangspunt dat beide ouders een gelijk aandeel in de zorg over [minderjarige] hebben.
In dat kader hebben de ouders ter zitting afgesproken dat zij met behulp van mediation en hulpverlening met elkaar in gesprek zullen gaan om te komen tot nadere afspraken over de invulling van de zorgregeling. Beide ouders hebben zich bereid verklaard deel te nemen aan zowel mediation als het traject Ouderschapsbemiddeling. Het doel van de mediation is om op korte termijn in onderling overleg concrete afspraken te maken over de zorgregeling en de praktische uitvoering daarvan. Binnen het traject Ouderschapsbemiddeling kunnen de ouders daarnaast werken aan het verbeteren van hun onderlinge communicatie en samenwerking, het herstellen en versterken van het onderlinge vertrouwen en het ontwikkelen van vaardigheden om toekomstige afspraken over [minderjarige] op een constructieve manier met elkaar te maken.
De rechtbank zal partijen doorverwijzen naar het traject Ouderschapsbemiddeling zoals blijkt uit het aan deze beschikking gehechte proces-verbaal van doorverwijzing. Dit proces-verbaal is al per e-mail verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan Ouderschapsbemiddeling en aanmelding bij de desbetreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal ook deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.
De rechtbank zal niet de zogenoemde ‘lus’ naar de Raad opnemen indien het traject niet heeft geleid tot een positief resultaat. Dat neemt niet weg dat de rechtbank ervan uitgaat dat partijen zich in het belang van [minderjarige] tot het uiterste zullen inspannen voor het ouderschapsbemiddelingstraject.
Omdat de ouders zullen deelnemen aan mediation en worden aangemeld voor het traject Ouderschapsbemiddeling, zal de rechtbank de beslissing op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling voor de duur van acht maanden aanhouden in afwachting van de uitkomsten van de trajecten.
Voorlopige zorgregeling
De vader heeft tijdens de zitting verzocht om in afwachting van het mediationtraject en het traject Ouderschapsbemiddeling een voorlopige zorgregeling vast te stellen. Hij heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat [minderjarige] eenmaal per twee weken van vrijdag tot en met maandagochtend bij de moeder verblijft.
De rechtbank ziet geen aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het uitgangspunt tussen de ouders een 50/50-verdeling van de zorg blijft. De door de vader verzochte regeling wijkt van dit uitgangspunt af. Daarnaast is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de huidige regeling niet in het belang van [minderjarige] is.
Voor zover de vader heeft aangevoerd dat [minderjarige] tijdens de zorgtijd van de moeder regelmatig naar de crèche gaat, overweegt de rechtbank dat dit op zichzelf geen reden is om te bepalen dat [minderjarige] minder tijd bij de moeder verblijft. De vader werkt 40 uur per week en de moeder 30 uur per week. Voor beide ouders geldt dat zij met enige regelmaat gebruik zullen moeten maken van de crèche. Daarnaast heeft de Raad ter zitting aangegeven dat het verblijf van een kind op de crèche in het algemeen een positieve bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling, onder meer vanwege de sociale contacten met andere kinderen.
Hoewel tijdens de mediation aandacht zal moeten worden besteed aan het beperken van het aantal wisselmomenten, zoals ook door de Raad ter zitting is opgemerkt, is niet gebleken dat de huidige zorgregeling op dit moment een zodanige belasting voor [minderjarige] oplevert dat aanleiding bestaat om bij wijze van voorlopige beslissing van die regeling af te wijken.
Voorts heeft de vader aangevoerd dat de moeder zich niet altijd aan de huidige zorgregeling houdt. De moeder betwist dit en stelt dat zij de zorgregeling in beginsel altijd nakomt en daar slechts in uitzonderlijke situaties van is afgeweken, zoals bij hevige sneeuwval en in verband met krentenbaard bij haar andere zoon. De rechtbank overweegt dat goed ouderschap met zich brengt dat ouders in dergelijke situaties enige flexibiliteit met zich meebrengen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de huidige zorgregeling, zoals opgenomen in het ouderschapsplan, voorlopig zal worden voortgezet.
Wijziging hoofdverblijfplaats
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan onder meer beslissen over de hoofverblijfplaats van de minderjarige.
De vader verzoekt om wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . Hij wenst dat [minderjarige] op zijn adres wordt ingeschreven, omdat hij op dit moment geen zicht heeft op belangrijke post die voor [minderjarige] binnenkomt. Volgens de vader informeert de moeder hem hier niet over.
Daarnaast heeft de vader aangevoerd dat hij inmiddels beschikt over een eigen huurwoning in [plaats] , waar [minderjarige] een eigen kamer heeft. De vader zou [minderjarige] daarom graag op dit adres willen laten inschrijven. Tot slot merkt de vader op dat hij vaak degene is die met [minderjarige] naar de huisarts, de fysiotherapeut en het consultatiebureau gaat. De vader acht het daarom passend dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald, zodat hij de voor [minderjarige] bestemde post en relevante informatie rechtstreeks ontvangt.
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader. Zij stelt dat de ouders nog kort geleden de afspraak hebben gemaakt dat [minderjarige] op het adres van de moeder wordt ingeschreven. De moeder betwist dat zij de vader niet informeert over [minderjarige] . Zij merkt op dat [minderjarige] nog jong is en dat er vrijwel nooit post voor hem binnenkomt. Indien er post zou binnenkomen, zal zij deze met de vader delen, maar daarvan is tot op heden geen sprake geweest. Voorts stelt de moeder dat het onjuist is dat alleen de vader verantwoordelijk is voor bezoeken aan de huisarts, de fysiotherapeut en het consultatiebureau. Ook zij vervult hierin haar rol.
Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting ziet de rechtbank geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] op dit moment te wijzigen. Het gaat goed met [minderjarige] en er zijn geen zorgen over zijn welzijn. In september vorig jaar hebben de ouders afgesproken dat [minderjarige] op het adres van de moeder zou worden ingeschreven. De rechtbank ziet op dit moment geen reden om van deze afspraak af te wijken. Het feit dat de vader inmiddels een eigen huurwoning heeft, vormt op zichzelf geen aanleiding voor een wijziging van de hoofdverblijfplaats.
Voor zover de vader met zijn verzoek beoogt beter geïnformeerd te worden over het welbevinden van [minderjarige] , overweegt de rechtbank dat de ouders gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen. Dit houdt in dat beide ouders recht hebben op informatie over [minderjarige] en dat zij deze informatie met elkaar moeten delen. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats is geen middel om ervoor te zorgen dat een ouder beter wordt geïnformeerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] op dit moment te wijzigen, maar zal in afwachting van de uitkomsten van de trajecten de beslissing op het verzoek aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
verwijst partijen naar de voor hen bekende mediator om te trachten de communicatie en het onderlinge vertrouwen te verbeteren en hun geschil ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door middel van mediation tot een oplossing te brengen;
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader] ,
wonende aan de [adres 1] ,
en
[de moeder] ,
wonende aan de [adres 2] ,
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het hulpverleningstraject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van deze beschikking te zenden naar:
Kenniscentrum Kind en Scheiding, [adres 3] ;
houdt de behandeling van de zaak pro forma aan in afwachting van de resultaten van de mediation en het hulpverleningstraject;
uiterlijk veertien dagen vóór voornoemde pro formadatum dienen partijen zich schriftelijk uit te laten over het resultaat van de mediation en de hulpverlening en de voortgang van deze procedure;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskosten
pro forma aan tot 15 november 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. Westerhuis-Evers, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026.