Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10901

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
25/4909
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5.1 OwArt. 8.0a Besluit kwaliteit leefomgevingArt. 13 lid 3 onder c bestemmingsplanArt. 13 lid 5 onder e bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vergunning voor dakopbouw met verticale achterwand in Rijswijk

De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk aan een vergunninghouder voor het plaatsen van een dakopbouw op een woning aan een adres in Rijswijk. Eisers, de achterburen, maakten bezwaar tegen de vergunning vanwege de verticale achterwand van de dakopbouw en mogelijke schaduwwerking.

De rechtbank oordeelt dat de aanvraag onder de Omgevingswet valt en dat het college de vergunning terecht heeft verleend op grond van artikel 13, vijfde lid, onder e, van de planregels, dat afwijking van de hoogtebeperking toestaat mits aan voorwaarden wordt voldaan. De verticale achterwand is toegestaan binnen de toegestane dakhelling tot 90 graden en sluit aan bij reeds vergunde dakopbouwen in de omgeving.

Eisers stelden dat het bouwplan niet voldoet aan het beeldkwaliteitplan en dat beleidsregels niet zijn meegenomen, maar de rechtbank stelt vast dat de beleidsregel nooit is gepubliceerd en dus niet van toepassing is. Ook is onvoldoende onderbouwd dat de dakopbouw onredelijke hinder veroorzaakt. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het bestreden besluit blijft in stand en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de dakopbouw met verticale achterwand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4909

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eisers sub 1] en [eisers sub 2], uit [woonplaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, het college

([gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[vergunninghouder], uit [woonplaats], vergunninghouder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning aan de [adres 1] in [plaats]. Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 27 februari 2025 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het vergroten van zijn woning aan de [adres 1] in [plaats] (de woning) door het plaatsen van een dakopbouw. Eisers, achterburen van vergunninghouder, hebben bezwaar gemaakt tegen deze vergunning.
2.1.
Met het bestreden besluit van 3 juli 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij het besluit gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van het college en vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 december 2024. Dat betekent dat in dit geval de Omgevingswet (Ow) van toepassing is.
Toetsingskader
4. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bevat een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de vergunningsaanvraag op ziet, was vóór 1 januari 2024 het [bestemmingsplan] van kracht. Dat bestemmingsplan maakt sinds 1 januari 2024 deel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan [gemeente] (omgevingsplan).
4.1.
De bepalingen uit het omgevingsplan en de Omgevingswet die van belang zijn voor de beoordeling van deze zaak, zijn opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
De totstandkoming van het bestreden besluit
5. Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een dakopbouw op de woning. Het college heeft op 21 november 2024 aangegeven dat het bouwplan voorlopig niet akkoord is omdat een schuine langskap aan de voorzijde ontbreekt en het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Vergunninghouder heeft de aanvraag daarom aangepast op 18 december 2024, zodanig dat de dakopbouw aan de voorkant een schuine wand heeft en aan de achterkant een rechte.
5.1.
Het college heeft op 27 februari 2025 de omgevingsvergunning verleend voor een ‘omgevingsplanactiviteit’ en een ‘bouwactiviteit’. [1] Hoewel op grond van artikel 13, derde lid onder c, van de planregels de hoogte van de woning niet mag wijzigen, staat het het college vrij om op grond van artikel 13, vijfde lid onder e, van de planregels, met afwijking van het plan, een extra bouwlaag toe te staan. Volgens het college voldoet het bouwplan aan de voorwaarden die in dat artikel worden gesteld, zodat de vergunning kan worden verleend.
5.2.
In het bestreden besluit van 3 juli 2025 is het college hierbij gebleven.
Standpunt van eisers
6. Eisers voeren aan dat het bouwplan vanwege de verticale achterzijde van de dakopbouw niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 13, vijfde lid onder e van de planregels, waarin onder meer staat dat rekening moet worden gehouden met andere, al aanwezige dakopbouwen. Het college heeft in dit kader de kappen op [adres 2] en [adres 3], [adres 4] en [adres 5] onterecht als precedenten aangewezen. De kap op [adres 2] heeft namelijk ook een verticale achterzijde en sluit daarom zelf niet aan bij de vormgeving van de andere kappen in het blok, die wel schuin zijn. De kappen op de [straatnaam] betreffen een ander bouwblok, dus die hadden evenmin meegewogen mogen worden. Eisers betogen verder dat in het verleden de [beleidsregel] bij vergelijkbare vergunningaanvragen is aangehaald en dat deze beleidsregel in dit geval ten onrechte niet is meegenomen bij de beoordeling.
6.1.
Eisers betogen voorts dat het bouwplan niet voldoet aan het [beeldkwaliteitplan], omdat de dakopbouw een verticale achterzijde heeft. Uit figuur 6.5 van het beeldkwaliteitplan is af te leiden dat op deze woning de kap een langskap moet zijn, dus met een schuine wand aan (in ieder geval) de voor- en de achterkant. Bovendien kan deze langskap volgens eisers geen verticale achterwand hebben, omdat dan geen sprake is van een kap maar van een volledige derde bouwlaag. Dat het plan spreekt van een hellingshoek van (maximaal) 90 graden doet daar niet aan af. Het college vond een verticale wand aan de voorzijde immers ook niet aanvaardbaar, aldus eisers.
Standpunt van het college
7. Het college stelt zich op het standpunt dat de vergunning voor de dakopbouw verleend mocht worden op basis van artikel 13, vijfde lid onder e, van de planregels. Volgens dat artikel is het wel degelijk mogelijk een wand met een dakhelling van 90 graden te bouwen. Dat voor de voorzijde strengere eisen worden gesteld dan voor de achterzijde, heeft te maken met de zichtbaarheid van de dakopbouw vanuit openbaar gebied. Bovendien voldoet het bouwplan aan de definitie van een “kap” zoals in Van Dale beschreven, omdat de dakopbouw een houten of metalen structuur is die het dak draagt.
7.1.
Verder vindt het college dat de dakopbouw qua vormgeving aansluit bij de omgeving. De verwijzingen naar de dakopbouw van [adres 2] en van [adres 3], [adres 4] en [adres 5] zijn volgens het college in dit kader voldoende. Dat bepaalde woningen in hetzelfde bouwblok een dakopbouw met een schuine achterwand hebben, doet aan het voorgaande niet af. Volgens het college is het namelijk mogelijk om met één verwijzing te volstaan voor het vaststellen van een precedent.
Oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank stelt met het college en eisers vast dat het bouwplan in strijd is met artikel 13, derde lid, onder c, van de planregels waarin staat dat, kort gezegd, de woning niet mag worden vergroot. Aan dat vereiste wordt niet voldaan.
8.1.
Op grond van artikel 13, vijfde lid, onder e, van de planregels kan het college echter, met afwijking van artikel 13, derde lid, onder c, een omgevingsvergunning verlenen voor het realiseren van een kap op een hoofdgebouw in twee bouwlagen, waarbij onder meer als voorwaarde geldt dat de dakhelling van de kap binnen de marges moet blijven van minimaal 40° en maximaal 90°.
8.2.
De rechtbank overweegt dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan voldoet aan de voorwaarden uit artikel 13, vijfde lid, onder e van de planregels. Uit de planregels volgt niet dat een kap aan zowel de voor- als achterkant schuin dient te zijn. Artikel 13, vijfde lid, onder e, bepaalt juist uitdrukkelijk dat een dakhelling tot 90°, dus een rechte wand, is toegestaan. Of een bouwplan waarbij aan alle zijden een rechte wand is voorzien nog zou zijn aan te merken als een kap in de zin van dit artikel kan hier in het midden blijven, omdat een dergelijk bouwplan in dit geval niet is aangevraagd en dus ook niet is vergund. Voor zover eisers betogen dat het college de beleidsregel had moeten betrekken bij het verlenen van de vergunning, overweegt de rechtbank dat onbetwist is dat dit stuk nooit is gepubliceerd. Dat betekent dat het nooit als beleidsregel in werking is getreden, en dus ook niet als zodanig kan worden ingetrokken. Voor zover het stuk in het verleden onder de Wabo is gehanteerd als vaste gedragslijn, heeft het college toegelicht dat het sinds inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer als zodanig wordt gehanteerd. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat dat onjuist is.
8.3.
Verder heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verticale achterzijde aansluit bij de bebouwing in de omgeving. Het college heeft in dit kader verschillende voorbeelden van dakopbouwen met een verticale achterzijde in de directe omgeving genoemd, maar acht in het bijzonder doorslaggevend dat de dakopbouw op [adres 2] ook een dergelijke rechte achterzijde heeft. De rechtbank acht dit niet onjuist. Dat in hetzelfde bouwblok ook dakopbouwen aanwezig zijn met een schuine achterzijde betekent op zichzelf niet dat niet mocht worden aangesloten bij een eerder vergunde dakopbouw met een rechte achterzijde. Dat in artikel 13, vijfde lid, onder e van de planregels staat dat moet worden aangesloten bij “reeds aanwezige kappen” betekent verder niet dat alleen zou mogen worden gekeken naar de kappen zoals die oorspronkelijk in de omgeving aanwezig waren, maar daaronder vallen ook kappen die later zijn vergund. De aansluiting van het bouwplan bij de dakopbouw van [adres 2] is daarom voldoende. Bovendien heeft het college het standpunt mogen innemen dat vanwege de beperkte zichtbaarheid vanuit de openbare ruimte voor de achterzijde van een dakopbouw minder strenge eisen worden gesteld dan voor de voorzijde waar het gaat om de aansluiting bij de omgeving. Ook uit het beeldkwaliteitplan volgt niet dat een dakopbouw op deze plaats uitsluitend zou zijn toegestaan met een schuine wand zowel aan de voor- als aan de achterkant. Afgezien daarvan bepaalt artikel 13, vijfde lid, onder e, dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning met afwijking van het plan “het beleid erop is gericht bij het beoordelen van aanvragen rekening te houden met het beeldkwaliteitplan”, wat betekent dat het college op dit punt een zekere mate van beoordelingsvrijheid heeft.
9. Voor zover eisers betogen dat de dakopbouw onredelijke hinder veroorzaakt, vanwege schaduwwerking op het perceel van eisers, overweegt de rechtbank dat dit standpunt verder niet is onderbouwd. Bovendien komt het de rechtbank niet aannemelijk voor dat het feit dat het bouwplan voorziet in een rechte achtergevel in plaats van een schuine zal leiden tot grotere schaduwwerking van enige betekenis, mede gezien de afstand tussen de beide woningen en de ligging van de woningen ten opzichte van elkaar.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid aanhef en onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit uit te voeren. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die wel of niet in strijd is met het omgevingsplan.
Ingevolge artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt, voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
Ingevolge artikel 22.26 van het Omgevingsplan is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Ingevolge artikel 13, derde lid, onder c, van het bestemmingsplan geldt voor het bouwen van gebouwen de aanduidingen op de kaart en de volgende bepaling: de diepte, breedte, goothoogte, hoogte en dakvorm van de woningen en andere hoofdgebouwen, zoals aanwezig ten tijde van het in ontwerp ter inzage leggen van het plan, niet mag worden vergroot, met uitzondering van een vergroting op grond van het bepaalde in dit lid onder f en verder zijn toegestaan.
Ingevolge artikel 13, vijfde lid, aanhef en onder e, van het bestemmingsplan is het college bevoegd, met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen van artikel 12 van Pro deze voorschriften, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 3 onder c: voor het realiseren van een kap op hoofdgebouwen in twee bouwlagen, die plat zijn afgedekt dan wel het uitbreiden van een bestaande derde bouwlaag en die op de kaart zijn aangegeven met de aanduiding “extra bouwlaag toegestaan”, waarbij de dakhelling van de kap binnen de marges moet blijven van minimaal 40 graden en maximaal 90 graden en de hoogte niet meer toeneemt dan 3,50 m. Het beleid is er daarbij op gericht:
  • geen toepassing te geven aan deze bevoegdheid op en nabij Rijks- en gemeentelijke monumenten, aan de randen van de wijk en op beeldbepalende punten;
  • uitsluitend medewerking te verlenen indien de gevelwand zich voor kappen leent;
  • in vormgeving, maatvoering en materiaaltoepassing aan te sluiten bij de bebouwing in de omgeving;
  • bij het beoordelen van aanvragen rekening te houden met het reeds aanwezig zijn van kappen in het betreffende blok en naar materiaalgebruik en vormgeving daarbij aan te sluiten;
  • bij het beoordelen van aanvragen rekening te houden met het bepaalde in het beeldkwaliteitplan “Leeuwendaal”.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, en tweede lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.