Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10880

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699806 KG ZA 26-181
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:269 BWArt. 7A:1655 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontruiming huurders en gehengen en gedogen door eigenaar woning

De eigenaar van een woning vorderde in kort geding de ontruiming van huurders die de woning via een derde, de verhuurder, bewonen. De verhuurder, die de woning met toestemming van de eigenaar had verbouwd en verhuurd, trad op als tussenkomende partij. De rechtbank oordeelde dat de verhuurder mogelijk bevoegd was de woning te verhuren, gelet op langdurige gedragingen en afspraken binnen de familie, bevestigd door een schriftelijke verklaring van familieleden.

De voorzieningenrechter stelde dat ontruiming in kort geding slechts kan worden toegewezen indien de bodemrechter dit ook waarschijnlijk zal doen en een belangenafweging dit rechtvaardigt. Gezien het feit dat de huurders met minderjarige kinderen in de woning wonen en het vinden van alternatieve huisvesting moeilijk is, woog het belang van de huurders zwaarder dan dat van de eigenaar.

De rechtbank wees de ontruimingsvordering af en veroordeelde de eigenaar in de proceskosten van de huurders. Tevens werd de eigenaar bevolen te gehengen en gedogen dat de huurders in de woning blijven wonen en de huur aan de verhuurder blijven betalen totdat in de bodemprocedure anders wordt beslist. De vordering tot het verbod om de huurders te hinderen werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs van hinder.

De uitspraak benadrukt het belang van de feitelijke situatie, de langdurige gedragingen en de belangenafweging bij spoedeisende ontruimingsvorderingen in kort geding.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming van de huurders wordt afgewezen en de eigenaar moet gehengen en gedogen dat de huurders blijven wonen en huur betalen aan de verhuurder totdat de bodemprocedure is afgerond.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/699806 KG ZA 26-181
Vonnis in kort geding van 30 april 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats 1] ,
eiser,
advocaat mr. A.A.G. Balkenende,
tegen:

1.[gedaagden sub 1] te [woonplaats 1] ,

gedaagde sub 1,
procederend in persoon,

2.[gedaagden sub 2] te [woonplaats 1] ,

gedaagde sub 2,
procederend in persoon,
waarin zich heeft gevoegd en is tussengekomen:
[belanghebbende]te [woonplaats 2],
eiser in het incident tot voeging en tussenkomst,
advocaat mr. P.J. Winkel.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’, ‘[gedaagden sub 1]’, ‘[gedaagden sub 2]’, en ‘[belanghebbende]’. [gedaagden sub 1] en [gedaagden sub 2] worden gezamenlijk aangeduid als ‘gedaagden’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 april 2026 met producties 1 tot en met 8;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst en voeging met producties 1 tot en met 15;
- de brief van [eiser] van 10 april 2026 met producties 9 tot en met 12;
- de door [belanghebbende] overgelegde pleitnotitie (uitsluitend voor zover deze is ter zitting voorgedragen).
1.2.
Op 13 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser], vergezeld van zijn advocaat, gedaagden en [belanghebbende], vergezeld van zijn advocaat, waren aanwezig en hebben hun standpunten toegelicht. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op 28 april 2026 en nader op vandaag.

2.Het incident tot tussenkomst en voeging

2.1.
[belanghebbende] heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [eiser] en gedaagden en zich te mogen voegen aan de zijde van gedaagden. Ter zitting hebben [eiser] en gedaagden verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst en voeging.
2.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat [belanghebbende] voldoende heeft gesteld dat hij er belang bij heeft om tussen te komen in het geschil tussen [eiser] en gedaagden. [eiser] is eigenaar van de woning waarvan hij ontruiming vordert, terwijl [belanghebbende] aanvoert dat hij de woning met toestemming van [eiser] heeft verbouwd en vervolgens heeft verhuurd. [belanghebbende] stelt zich verder op het standpunt dat hij de maandelijks door hem te ontvangen huurinkomsten verrekent met de verbouwingskosten op basis van de overeenkomst met [eiser]. Ook betaalt [belanghebbende] de vaste lasten van de woning. [belanghebbende] heeft er daarom, net als gedaagden, belang bij dat gedaagden niet tot ontruiming worden veroordeeld en dat [eiser] voorlopig zal gehengen en gedogen dat de huur aan [belanghebbende] wordt voldaan. [belanghebbende] heeft in dat verband een vordering jegens [eiser] ingesteld. Mede gelet op de omstandigheid dat [eiser] en gedaagden zich niet hebben verzet tegen de tussenkomst, is de gevorderde tussenkomst toewijsbaar. Daarbij is ook van belang dat niet is gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat [belanghebbende] bij deze stand van zaken geen belang meer heeft bij voeging aan de zijde van gedaagden.

3.De feiten

3.1.
[eiser] en [belanghebbende] zijn broers. [eiser] is in 2000 eigenaar geworden van een pand met [kadastraal kenmerk] (hierna: het pand). Op 9 juni 2006 heeft [eiser] op het pand ten gunste van zijn vader, [naam 1], een hypotheekrecht gevestigd. De hypotheekakte vermeldt dat het hypotheekrecht is gevestigd tot zekerheid voor de terugbetaling van een op 22 november 2000 door [eiser] van [naam 1] ontvangen geldlening van € 106.483,18 en voor de betaling van renten, boeten en kosten.
3.2.
Omstreeks 2010 heeft [eiser] het beheer van het pand, dat op dat moment leeg stond, overgedragen aan [belanghebbende].
3.3.
Vanaf omstreeks 2010 heeft [belanghebbende] de aan het pand verbonden vaste lasten, zoals gemeentelijke heffingen, verzekeringspenningen, energielasten en de onderhoudskosten, voldaan.
3.4.
In de periode 2010 tot en met begin 2014 heeft [belanghebbende] het pand volledig gestript en ingrijpend gerenoveerd. In 2012 is het pand gesplitst in twee zelfstandige woonruimtes, met de adressen [adres 1] (hierna: de woning) en [adres 2] te [plaats] . Op 8 augustus 2012 heeft de [gemeente] (hierna: de gemeente) hiervoor een vergunning verleend.
3.5.
Vanaf 2012 heeft [belanghebbende] de woning en het appartement aan de [adres 2] te [plaats] aan verschillende personen verhuurd. Deze huurovereenkomsten staan op naam van [belanghebbende]. [belanghebbende] heeft steeds de huur geïncasseerd en gehouden.
3.6.
[eiser] heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting in 2020 en in 2022 verklaard dat de woning en het appartement aan de [adres 2] te [plaats] door een ander worden bewoond en dat hij geen huurinkomsten ontvangt. In zijn aangifte inkomstenbelasting 2022 heeft [eiser] vermeld dat hij per 31 december 2022 een schuld had van € 100.000,- aan [belanghebbende] en van € 106.483,- aan zijn vader.
3.7.
In maart 2025 heeft de gemeente per brief aan [eiser] medegedeeld dat zij voornemens is een last onder dwangsom aan hem op te leggen vanwege het ontbreken van een verhuurvergunning voor de woning en het appartement aan de [adres 2] te [plaats] . [belanghebbende] heeft vervolgens een verhuurvergunning aangevraagd bij de gemeente en heeft de verhuurvergunning verkregen. Op 14 oktober 2025 heeft de gemeente een aanslag aan [belanghebbende] opgelegd voor de verleende verhuurvergunning voor het pand.
3.8.
Op 30 oktober 2025 heeft [belanghebbende] de huurovereenkomsten en de verhuurvergunning aan [eiser] toegezonden. Op 31 oktober 2025 heeft [eiser] een spraakbericht naar [belanghebbende] gestuurd, waarin hij het volgende mededeelt:
“Vrede zij met jullie, broer.
Kijk, ik heb het verkeerd gelezen: intentie om eruit te gaan.
Hij zei: Kun je ze eruit krijgen?
Daarom vraag ik het aan jou.
Kunnen we de huurders eruit krijgen, of kunnen we dat niet doen?
Want als we de huurders eruit krijgen, brengt echt meer.
Als we ze niet eruit krijgen, ja dan gaat wat, iets minder.
In ieder geval, laat me weten.
Ga, bel hem, en zeg tegen hen: wat zullen we jullie geven, of kunnen we onderhandelen, kunnen wij overeenkomen dat jullie drie maanden niet betalen en dat jullie dan vertrekken?
In ieder geval, laat me weten, alsjeblieft.”
3.9.
[belanghebbende] heeft de woning per 1 september 2023 voor de duur van 12 maanden verhuurd aan gedaagden voor de som van € 1085 (inclusief kosten voor stoffering, meubilering, servicekosten en een voorschot voor gas en elektra). In de schriftelijke huurovereenkomst staat [belanghebbende] als “verhuurder” vermeld. [belanghebbende] en gedaagden hebben per 1 november 2025 een nieuwe huurovereenkomst gesloten voor de woning. Deze huurovereenkomst vermeldt een looptijd van 12 maanden en een huurprijs van € 1200 (inclusief kosten voor kosten voor stoffering, meubilering en een voorschot voor gas en elektra).
3.10.
Per brief van 7 januari 2026 heeft [eiser] [belanghebbende] onder meer bericht dat hij nooit toestemming heeft gegeven voor de verhuur van de woning en het appartement aan de [adres 2] te [plaats] . [eiser] heeft [belanghebbende] aansprakelijk gesteld voor diverse schadeposten en heeft hem onder andere gesommeerd per direct ieder handelen met betrekking tot het pand te staken. Daarnaast heeft [eiser] op 7 januari 2026 een brief aan [gedaagden sub 1] gestuurd, waarin hij is gesommeerd om het gebruik van de woning per direct te staken en de woning te ontruimen.
3.11.
Per brief van 9 februari 2026 aan [belanghebbende] heeft [eiser] medegedeeld dat hij nooit toestemming heeft gegeven voor de verhuur van het pand door [belanghebbende] aan derden. Daarnaast is [belanghebbende] onder meer gesommeerd om het pand uiterlijk 18 februari 2026 te ontruimen en vanaf dat moment maandelijks een gebruiksvergoeding van € 2.285 aan [eiser] te betalen. Op 9 februari 2026 heeft [eiser] ook een brief naar [gedaagden sub 1], zijn familieleden en de overige bewoners van de woning gestuurd, waarin hij hen onder meer sommeert om de woning uiterlijk op 18 februari 2026 te ontruimen en vanaf dat moment een gebruiksvergoeding van € 1.085 per maand aan [eiser] te voldoen.
3.12.
De advocaat van [belanghebbende] heeft per brief van 10 februari 2026, voor zover relevant, als volgt gereageerd op de brief van 9 februari 2026 van [eiser]:
“[eiser] en [belanghebbende] zijn destijds overeengekomen dat [belanghebbende] het pand volledig op eigen kosten zou verbouwen, alle investeringen zou voorfinancieren en het pand vervolgens zou beheren en verhuren. [belanghebbende] zou alle vaste lasten van het pand dragen, waaronder in elk geval begrepen de kosten van gas, water, elektriciteit, premies (opstal)verzekeringen, gemeentelijke heffingen en klein en groot onderhoud. Daartegenover stond dat [belanghebbende] de huurinkomsten mocht behouden. Bij een verkoop zou eerst de geldlening van de vader met rente worden afgelost, daarna de vordering van [belanghebbende] vanwege de door hem gemaakte investeringen en pas daarna zou de resterende overwaarde tussen [eiser] en [belanghebbende] bij helfte worden gedeeld.”
3.13.
De advocaat van [eiser] heeft per brief van 18 februari 2026 betwist dat [eiser] en [belanghebbende] afspraken hebben gemaakt zoals door de advocaat van [belanghebbende] geschetst. Daarnaast is een brief van [eiser] aan [belanghebbende] bijgevoegd, waarmee het bestaan van de gestelde afspraken tussen [eiser] en [belanghebbende] wordt betwist en voor zover noodzakelijk zijn de overeenkomsten door [eiser] opgezegd met een opzegtermijn van zeven dagen.
3.14.
Een schriftelijke verklaring gedateerd 25 februari 2026, ondertekend door [naam 1], [naam 2] (de moeder van [eiser] en [belanghebbende]), [naam 3] (de zus van [eiser] en [belanghebbende]), [naam 4] (de broer van [eiser] en [belanghebbende]) en [belanghebbende], houdt onder meer het volgende in:
“In 2010 hebben [eiser] en [belanghebbende] afspraken gemaakt over het pand aan de [adres 2] te [plaats] .
Deze afspraken hielden in:
- dat [belanghebbende] het pand voor zijn rekening zou verbouwen.
- dat [belanghebbende] het pand vervolgens zou beheren en verhuren,
- dat [belanghebbende] de huurinkomsten mocht behouden en
- dat [belanghebbende] alle vaste lasten, het onderhoud en alle overige zaken met betrekking tot het pand zou regelen en voor zijn rekening zou nemen.
Daarnaast is afgesproken dat bij verkoop van het pand:
- eerst de geldlening van vader worden zou betaald
- vervolgens de vordering van [belanghebbende] ten aanzien van zijn investeringen zou worden
voldaan en
- de resterende overwaarde tussen [eiser] en [belanghebbende] bij helfte zou worden verdeeld.
Vanaf 2010 tot 2026 was binnen de familie bekend dat [belanghebbende] het pand van [eiser] beheerde en verhuurde conform de tussen [eiser] en [belanghebbende] gemaakte afspraken en dat [eiser] hiermee volledig bekend en akkoord was.
[belanghebbende] regelde alle praktische en financiële zaken rondom het pand. [eiser] deed niets. Als er correspondentie met betrekking tot het pand door [eiser] bij hem thuis werd ontvangen, dan zorgde [eiser] ervoor dat deze door hem of zijn echtgenote aan [belanghebbende] werd overhandigd.
Het is voor ons als familie onbegrijpelijk dat [eiser] nu ineens na al die jaren stelt dat hij niet wist dat het pand door [belanghebbende] werd verhuurd en dat hij hiervoor geen toestemming aan [belanghebbende] zou hebben gegeven. Die toestemming heeft [eiser] vanaf het begin in 2010 aan [belanghebbende] verleend. [eiser] is pas sinds januari 2026 gaan stellen dat hij niets afwist van de verhuur door [belanghebbende] en dat hij hiervoor geen toestemming zou hebben gegeven. Dit is in strijd met de waarheid.”
3.15.
Op 2 april 2026 hebben [belanghebbende] en [naam 1] [eiser] gedagvaard en 25 vorderingen ingesteld, waaronder de vordering dat [eiser] gehouden wordt de huurovereenkomsten tussen [belanghebbende] en gedaagden te respecteren, de uitvoering daarvan te gehengen en gedogen en dat [eiser] zich moet onthouden van gedragingen die de huurovereenkomsten frustreren, op straffe van een dwangsom.
3.16.
Parallel aan deze procedure loopt een procedure tussen enerzijds [eiser] en anderzijds de bewoners van het appartement aan de [adres 2] te [plaats] , met vergelijkbare vorderingen als in deze zaak, waarin [belanghebbende] tevens een incidentele vordering tot voeging en tussenkomst heeft ingesteld.
3.17.
De woning wordt momenteel bewoond door [gedaagden sub 1], [gedaagden sub 2] en hun twee minderjarige kinderen.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningen rechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagden veroordeelt om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen en te verlaten met al de hunnen en het hunne, onder afgifte van de sleutels, en de woning ter vrije beschikking te stellen aan [eiser], en gedaagden veroordeelt in de kosten van ontruiming door [eiser] gemaakt, en bepaalt dat gedaagden aan [eiser] een dwangsom verbeuren van € 1.000 per dag indien [gedaagden sub 2] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;
II. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
4.2.
Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Gedaagden verblijven zonder recht of titel in de woning. De huurovereenkomst tussen gedaagden en [belanghebbende] is onbevoegd tot stand gekomen en bindt [eiser] niet. Zij moeten de woning daarom ontruimen en verlaten. [eiser] heeft in een voor hem moeilijke periode het beheer van het pand overgegeven aan [belanghebbende], maar [eiser] heeft [belanghebbende] nooit toestemming gegeven om het pand op eigen naam of op naam van [eiser] te verhuren aan derden. [eiser] heeft [belanghebbende] geen volmacht afgegeven of toestemming gegeven om een rechtshandeling voor hem te verrichten. Er is geen sprake geweest van lastgeving of schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid door [belanghebbende] jegens de bewoners van de woning. Er is ook geen sprake van onderhuur, omdat [eiser] het pand niet aan [belanghebbende] heeft verhuurd, maar desondanks heeft [belanghebbende] de woning aan gedaagden verhuurd. Gedaagden genieten geen huurbescherming. Zij wisten, althans hadden moeten weten dat [belanghebbende] niet bevoegd was om de woning te verhuren. Tot slot valt een belangenafweging in het voordeel van [eiser] uit, omdat hij dakloos is en eigenaar is van het pand terwijl [belanghebbende] er met de inkomsten vandoor gaat.
4.3.
Gedaagden en [belanghebbende] voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4.4.
[belanghebbende] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiser] niet-ontvankelijk verklaart dan wel zijn vorderingen afwijst in de hoofdzaak tegen gedaagden;
II. [eiser] verbiedt gedaagden te hinderen in hun huurgenot en [eiser] gebiedt te gehengen en te gedogen dat zij in de woning blijven wonen en de huur aan [belanghebbende] blijven voldoen totdat in de bodemprocedure is beslist, op straffe van een dwangsom van € 1.000 per overtreding, tot een maximum van € 10.000;
III. [eiser] veroordeelt in de kosten van de procedures in het incident en de hoofdzaak, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede in de nakosten.
4.5.
Verkort weergegeven stelt [belanghebbende] daartoe het volgende. [belanghebbende] heeft toestemming van [eiser] gekregen om het pand te verbouwen, te beheren en te verhuren. Dit blijkt uit de gedragingen van [eiser] gedurende de afgelopen vijftien jaar en omdat [eiser] eerder nooit bezwaar heeft gemaakt tegen de verhuur terwijl hij daarvan wel op de hoogte was. Voor zover geen uitdrukkelijke toestemming van [eiser] wordt aangenomen, geldt dat gedaagden gerechtvaardigd mochten vertrouwen op de bevoegdheid van [belanghebbende] om de woning te verhuren en dat sprake is van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. De overeenkomst tussen [belanghebbende] en [eiser] kwalificeert primair als een (stille) maatschap in de zin van artikel 7A:1655 Burgerlijk Wetboek (BW). [eiser] heeft het pand ingebracht, terwijl [belanghebbende] kapitaal en arbeid heeft ingebracht. Subsidiair stelt [belanghebbende] dat sprake is van een duurzame samenwerkingsovereenkomst. Dit zijn overeenkomsten voor onbepaalde tijd die niet zomaar kunnen worden opgezegd. Verder voert [belanghebbende] aan dat de huurovereenkomsten tussen [belanghebbende] en gedaagden rechtsgeldig zijn, zodat gedaagden niet zonder recht of titel in de woning verblijven. [eiser] is geen partij bij de huurovereenkomsten en heeft de huurovereenkomsten niet rechtsgeldig opgezegd. Voor zover sprake is van onderhuur worden de onderhuurovereenkomsten voortgezet op grond van artikel 7:269 BW Pro. Toewijzing van de ontruiming zou voor gedaagden, een gezin met minderjarige kinderen, leiden tot ingrijpende en onomkeerbare gevolgen. De belangenafweging dient uit te vallen in het voordeel van gedaagden. Ook ontbreekt spoedeisend belang aan de zijde van [eiser]. Verder heeft [eiser] de verhuur jarenlang gedoogd en handelt hij in strijd met de redelijkheid en billijkheid door nu ontruiming te verlangen.
4.6.
[eiser] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

5.De beoordeling van het geschil

Vorderingen van [eiser]
5.1.
De voorzieningenrechter zal eerst de vorderingen van [eiser] beoordelen.
De gevorderde ontruiming van de woning wordt afgewezen
5.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij een ontruiming in kort geding, zoals door [eiser] gevorderd, terughoudendheid moet worden betracht en dat een vordering tot ontruiming slechts kan worden toegewezen als in hoge mate waarschijnlijk is dat de bodemrechter tot toewijzing van die vordering zal komen, terwijl bovendien een beslissing in de bodemzaak niet kan worden afgewacht. Een ontruiming in kort geding, vooruitlopend op een definitief oordeel van de rechter in een (eventuele) bodemprocedure, moet vanuit dat perspectief ook berusten op een belangenafweging en moet proportioneel te zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet aan deze vereisten is voldaan. Voor dat oordeel is het volgende redengevend.
5.3.
Vaststaat dat tussen [belanghebbende] als verhuurder en [gedaagden sub 1] als huurder een huurovereenkomst tot stand is gekomen. [belanghebbende] stelt dat hij bevoegd was de woning te verhuren, op basis van de daarover in het verleden met [eiser] gemaakte afspraken en dat [gedaagden sub 1] en zijn gezin derhalve niet zonder recht of titel in de woning verblijven. Gedaagden stellen dat zij ervanuit zijn gegaan dat [belanghebbende] de woning mocht verhuren. [eiser] heeft ter zitting desgevraagd geen duidelijke verklaring gegeven over wat hij omstreeks 2010 met [belanghebbende] omtrent het beheer van het pand is overeengekomen en wat volgens hem wél onder het beheer van het pand valt indien daaronder, zoals hij stelt, niet het beheren, verbouwen, splitsen en verhuren van het pand vallen. De door [belanghebbende] gestelde afspraken zijn bevestigd door de ouders, een broer en een zuster van partijen in de verklaring van 25 februari 2026. Ook uit een aantal andere door [belanghebbende] gestelde feiten – die niet door [eiser] zijn weersproken – lijkt te volgen dat [eiser] op de hoogte moet zijn geweest van de verhuur van het pand door [belanghebbende] aan derden en dat hij daar jarenlang niet tegen heeft geageerd. [eiser] heeft niet betwist dat [belanghebbende] op eigen kosten het pand heeft verbouwd tot twee woningen en evenmin dat hij vanaf omstreeks 2010 alle vaste lasten voor het pand voor zijn rekening heeft genomen. Verder heeft [eiser] in zijn aangifte inkomstenbelasting in 2020 en in 2022 verklaard dat het pand door anderen wordt bewoond terwijl hij daarvoor zelf geen huurinkomsten ontvangt. Ook heeft [belanghebbende] een verhuurvergunning aangevraagd en verkregen nadat de gemeente in maart 2025 per brief aan [eiser] heeft medegedeeld dat zij voornemens was om [eiser] een last onder dwangsom op te leggen vanwege het ontbreken van een verhuurvergunning. Bij deze stand van zaken kan naar voorshands oordeel, zonder nadere bewijslevering, waarvoor in deze procedure geen plaats is, bepaald niet worden uitgesloten dat [eiser] toestemming aan [belanghebbende] heeft gegeven om de woning te verhuren aan derden. Daar komt bij dat het, in het licht van het feit dat [eiser] kennelijk van 2010 tot 2025 niet naar de woning heeft omgekeken en in elk geval feitelijk heeft toegelaten dat [belanghebbende] de woning verhuurde aan diverse derden, voorshands maar zeer de vraag is of hij zich jegens de huurders kan beroepen op het ontbreken van toestemming tot verhuur.
5.4.
Tussenconclusie is dan ook dat voorshands niet kan worden uitgesloten dat gedaagden de huurovereenkomst die [gedaagden sub 1] met [belanghebbende] heeft gesloten tegen [eiser] kunnen inroepen. Dit betekent dat de vordering tot ontruiming jegens gedaagden moet worden afgewezen.
5.5.
Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Gedaagden hebben een zwaarwegend belang bij behoud van de woning. Zij wonen er met hun minderjarige kinderen en het vinden van een andere betaalbare woning in de omgeving is heel moeilijk. De woning ligt in de omgeving van de school van de kinderen. De voorzieningenrechter acht genoegzaam aannemelijk dat de kans groot is dat gedaagden en hun minderjarige kinderen op straat komen te staan indien zij op korte termijn de woning moeten ontruimen. Daartegenover weegt het belang van [eiser] bij ontruiming van de woning zodat hij erin kan wonen minder zwaar. Hij draagt niet de zorg voor een inwonend minderjarig kind en hij heeft familie in het land, waar hij tot nu toe kennelijk onderdak heeft gevonden.
5.6.
De slotsom is dat de door [eiser] ingestelde vordering tot ontruiming wordt afgewezen. In het verlengde daarvan worden ook de vordering tot betaling van de ontruimingskosten en de gevorderde dwangsommen afgewezen.
Proceskosten
5.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van gedaagden betalen. De proceskosten van gedaagden worden begroot op € 341 (aan griffierecht).
5.8.
[eiser] wordt niet veroordeeld in de proceskosten van [belanghebbende]. In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Vorderingen van [belanghebbende]
5.9.
Vervolgens wordt toegekomen aan de beoordeling van de vorderingen die [belanghebbende] heeft ingesteld.
[eiser] moet voorlopig gehengen en gedogen dat gedaagden in de woning blijven wonen en dat zij de huur aan [belanghebbende] betalen
5.10.
[belanghebbende] heeft gevorderd dat aan [eiser] een verbod wordt opgelegd om gedaagden in hun woongenot te hinderen en dat aan hem een gebod wordt opgelegd om te gehengen en te gedogen dat gedaagden in de woning blijven wonen en de huur aan [belanghebbende] blijven betalen totdat in de bodemprocedure is beslist, op straffe van een dwangsom.
5.11.
De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen noodzaak om in te grijpen in de huidige situatie die al ongeveer vijftien jaar bestaat. Daartoe is redengevend dat de voorzieningenrechter niet kan vaststellen dat [belanghebbende] geen toestemming heeft verkregen voor de verhuur van de woning en dat niet evident is dat de huurovereenkomst(en) van [gedaagden sub 1] niet rechtsgeldig (tot stand gekomen) is/zijn. Daarnaast heeft [belanghebbende] belang bij het voorlopig blijven ontvangen van de huurinkomsten, omdat hij, naar hij onweersproken heeft gesteld, alle vaste lasten van de woning betaalt en bovendien voorshands niet kan worden uitgesloten dat [belanghebbende] meer geld in de woning heeft gestoken dan hij tot nu toe aan huur heeft terugontvangen. De voorzieningenrechter zal [eiser] daarom gebieden te gehengen en gedogen dat gedaagden in de woning blijven wonen en dat zij de huur aan [belanghebbende] blijven voldoen, voor de duur van de huurovereenkomst, totdat in de bodemprocedure anders is beslist. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om een dwangsom aan deze beslissing te verbinden, nu niet is gesteld of gebleken dat [eiser] niet aan dit vonnis zal voldoen. De voorzieningenrechter wijst het gevorderde verbod om gedaagden in hun huurgenot te hinderen af, omdat niet is gesteld of gebleken dat [eiser] gedaagden in hun huurgenot heeft gestoord. [eiser] heeft voorafgaand aan dit kort geding eenmaal, weliswaar laat in de avond, een bezoek aan de woning gebracht waarbij hij [gedaagden sub 1] heeft medegedeeld dat de woning op korte termijn ontruimd moest worden. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het een eenmalige actie van [eiser] betreft. Vervolgens heeft [eiser] een aantal brieven naar gedaagden gestuurd omdat hij van mening is dat de huurovereenkomsten hem als eigenaar van de woning niet binden, maar dat staat hem vrij.
Proceskosten
5.12.
In de familierechtelijke aard van dit geschil, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van gedaagden, begroot op € 341, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 98 extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.3.
wijst het gevorderde van [belanghebbende] in zoverre toe dat [eiser] wordt geboden te gehengen en te gedogen dat gedaagden in de woning aan de [adres 1] te [plaats] blijven wonen en de huur aan [belanghebbende] blijven voldoen, voor de duur van de huurovereenkomst, totdat in een bodemprocedure anders is beslist;
6.4.
verklaart de veroordeling onder 6.3. uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het meer of anders door [belanghebbende] gevorderde af;
6.6.
bepaalt dat [eiser] en [belanghebbende] ieder de eigen proceskosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
3556