3.1.De man vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de vrouw veroordeelt om binnen vijf dagen na betekening van het vonnis aan de man drie in Marokko gevestigde makelaars voor te stellen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 7.500,-;
bepaalt dat de man binnen zeven dagen na ontvangst van de drie makelaars gerechtigd is één van hen te kiezen;
de vrouw veroordeelt om binnen vier weken na de keuze voor een makelaar door de man gezamenlijk met de man opdracht te verstrekken aan deze makelaar tot taxatie van de woning, waarbij beide partijen in de gelegenheid worden gesteld aanwezig te zijn, onder de bepaling dat de taxatie bindend is tussen partijen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 7.500,-;
de vrouw veroordeelt om op eerste verzoek (i) de verkoopopdracht aan de makelaar te ondertekenen en (ii) alle handelingen te verrichten die redelijkerwijs nodig zijn om tot verkoop en levering van de woning te komen, zulks ten aanzien van beide veroordelingen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 7.500,-;
bepaalt dat ieder van partijen gerechtigd is tot de helft van de (na aftrek van onder andere de taxatiekosten) resterende overwaarde, dan wel dat partijen ieder de helft van een eventuele restschuld dienen te dragen;
de vrouw veroordeelt om binnen één week na betekening van het vonnis de beschikking van het hof Den Haag van 11 september 2024 (zaaknummer: 200.308.148/01), voor zover het betreft de in die beschikking gelaste verdeling van de woning, na te komen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag of dagdeel dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 7.500,-;
de vrouw te veroordelen in de proceskosten.