Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10863

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/09/703106 KG ZA 26-376
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 360 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot medewerking aan verkoop en ontruiming woning na echtscheiding

Partijen zijn in beperkte gemeenschap van goederen gehuwd en gezamenlijk eigenaar van de woning waarop een hypotheek rust. Na echtscheiding is de woning onder voorwaarden aan de vrouw toegedeeld, met de mogelijkheid tot verkoop indien zij niet aan de voorwaarden voldoet.

De vrouw vordert in kort geding dat de man meewerkt aan de overdracht van zijn aandeel in de woning en deze binnen een week verlaat. De man verzet zich en vordert onder meer een langere ontruimingstermijn en schorsing van de uitvoerbaarheid van de beschikking.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de toedeling aan de vrouw rechtmatig is en dat de man voldoende tijd heeft gehad om alternatieve woonruimte te regelen. De man wordt veroordeeld om binnen een week mee te werken aan een volmacht voor overdracht en de woning uiterlijk 1 juli 2026 te verlaten, onder afgifte van de sleutels, met een dwangsom bij niet-naleving. De overige vorderingen van de man worden afgewezen.

Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot medewerking aan de overdracht van de woning en ontruiming uiterlijk 1 juli 2026 met dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/703106 / KG ZA 26-376
Vonnis in kort geding van 7 mei 2026
in de zaak van
[de vrouw]te [woonplaats],
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. M.C. Tijsterman te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
tegen:
[de man]te [woonplaats],
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. J.L.J. Kapteijn te Alphen aan den Rijn.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 april 2026, met producties 1 tot en met 13;
- de op 22 april 2026 door de vrouw ingediende producties 14 tot en met 18;
- de conclusie van antwoord tevens houdende een eis in reconventie, met producties 1 tot en met 21;
- de op 23 april 2026 gehouden mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen zijn op 10 juli 2023 in beperkte gemeenschap van goederen gehuwd. Zij zijn gezamenlijk eigenaar van de voormalige echtelijke woning aan de [adres] (hierna: ‘de woning’). Op de woning rust een recht van hypotheek ten gunste van Florius.
2.2.
De man heeft op 2 oktober 2024 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot echtscheiding, met een nevenvoorziening tot vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform zijn voorstel. De vrouw heeft in die procedure eveneens zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met een nevenvoorziening tot vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform haar voorstel.
2.3.
Bij beschikking van 23 januari 2025 heeft de rechtbank bij wege van voorlopige voorziening bepaald dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de woning.
2.4.
Bij beschikking van 13 augustus 2025 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In deze beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van partijen tot vaststelling van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap ter verdere behandeling aangehouden. De echtscheidingsbeschikking is op 30 september 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.5.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 12 december 2025, die is verbeterd bij beschikking van 5 februari 2026, heeft de rechtbank de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap vastgesteld. In deze beschikking heeft de rechtbank de woning onder voorwaarden toegedeeld aan de vrouw. Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat indien de vrouw niet in staat blijkt om binnen de gestelde termijn aan de voorwaarden te voldoen, de woning onder diezelfde voorwaarden aan de man zal worden toegedeeld. Indien de man evenmin binnen die termijn aan de gestelde voorwaarden kan voldoen, dient de woning blijkens de beschikking te worden verkocht aan een derde. De rechtbank heeft aan de toedeling van de woning (aan in eerste instantie de vrouw) de volgende voorwaarden verbonden:
2.5.1.
De rechtbank heeft in deze beschikking op basis van onderstaande belangenafweging besloten tot toedeling van de woning aan (in eerste instantie) de vrouw:
2.5.2.
In de beschikking van 12 december 2025 heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – tevens bepaald dat partijen ieder gerechtigd zijn tot de helft van de saldi van de volgende bankrekeningen op de peildatum (voor wat betreft de omvang van de ontbonden huwelijksgemeenschap bepaald op de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 2 oktober 2024, en voor wat betreft de waardering van de ter verdelen goederen op de datum van de verdeling):
2.6.
De vrouw heeft de man op 20 januari 2026 in kort geding gedagvaard. In die procedure vorderde de vrouw onder meer een veroordeling van de man om uitvoering te geven aan de bij beschikking van 12 december 2025 vastgestelde verdeling van de woning. De man heeft in die procedure in reconventie gevorderd de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 12 december 2025 te schorsen in afwachting van de uitkomst van een op dat moment nog door hem in te stellen hoger beroep. Daarnaast vorderde de man te bepalen dat hij, zolang er geen beslissing over toedeling dan wel verkoop van de woning is genomen, het voortgezet uitsluitend gebruik van de woning zal hebben. Ook vorderde de man voorwaardelijk, voor het geval de vorderingen van de vrouw zouden worden toegewezen, te bepalen dat hij nog minstens één jaar nadat duidelijk wordt dat de vrouw de woning toegedeeld kan krijgen, het voortgezet uitsluitend gebruik van de woning zal hebben.
2.6.1.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij ter zake uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 9 februari 2026 in conventie onder meer de volgende veroordeling jegens de man uitgesproken:
2.6.2.
De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 9 februari 2026 de vorderingen van de man in reconventie afgewezen. De voorzieningenrechter heeft zijn beslissing zowel in conventie als in reconventie als volgt gemotiveerd:
2.7.
De advocaat van de man heeft bij e-mail van 12 februari 2026 drie makelaar-taxateurs voorgesteld aan de advocaat van de vrouw. De door de vrouw gekozen en vervolgens door partijen gezamenlijk aangezochte makelaar-taxateur heeft de woning getaxeerd op een bedrag van € 495.000,--.
2.8.
De vrouw heeft het vonnis van 9 februari 2026 op 13 februari 2026 aan de man laten betekenen.
2.9.
De advocaat van de man heeft de rechtbank op 10 maart 2026 verzocht om de beschikking van 12 december 2026 op onderstaand onderdeel te herstellen:
“De rechter heeft het volgende besloten:
‘bepaalt dat partijen ieder gerechtigd zijn tot de helft van de saldi van de volgende bankrekeningen op de peildatum:
(…)
Partijen zijn echter gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen, dus alleen een eventuele vermeerdering dient te worden gedeeld. Nu de vrouw de helft van de saldi, te weten het privévermogen van de man wil opeisen het verzoek om zo spoedig mogelijk een herstelbeschikking af te geven met de volgende inhoud:’
‘bepaalt dat partijen ieder gerechtigd zijn tot de eventuele vermeerdering vanaf datum huwelijk tot de peildatum van de saldi van de volgende bankrekeningen:”
2.10.
De man heeft op 12 maart 2026 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 12 december 2025. Daarbij heeft de man zich onder meer op het standpunt gesteld dat de rechtbank op basis van onjuiste uitgangspunten heeft geoordeeld dat het belang van de vrouw bij toedeling van de woning groter is dan het belang van de man. Tevens heeft de man een incidenteel verzoek op grond van artikel 360 lid 2 Rv Pro ingediend tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 12 december 2025 hangende de procedure in hoger beroep. Het gerechtshof te Den Haag heeft de mondelinge behandeling van het beroepschrift en het incidentele verzoek tot schorsing bepaald op 9 juli 2026. De advocaat van de man heeft het hof verzocht om een eerdere zittingsdatum dan wel om het incidentele verzoek afzonderlijk met voorrang (schriftelijk) te behandelen.
2.11.
Bij e-mail van 24 maart 2026 heeft de advocaat van de vrouw onder meer als volgt aan de advocaat van de man bericht:
“Cliënte heeft de financiering voor de woning te [plaats 1] inmiddels rond. Zij heeft notariskantoor Just te Zoetermeer verzocht de akte van verdeling op te stellen. Deze akte is inmiddels gereed en door mijn cliënte afgelopen vrijdag ondertekend. Het wachten is nu op ondertekening door uw cliënt. Uw cliënt heeft de akte digitaal ontvangen. Tevens is hij op vrijdag 20 maart jl. door het notariskantoor telefonisch benaderd met het verzoek de akte te komen ondertekenen, nl. dat hij de akte die dag (vrijdag 20 maart) of maandag 23 maart kon komen ondertekenen.
(…)
Ik verzoek u vriendelijk doch dringend mij per omgaande te bevestigen dat uw cliënt heden nog deze week tot ondertekening van de akte zal overgaan.
Daarnaast dient u cliënt de woning per direct te verlaten.”
2.12.
De notaris heeft bij e-mail van 26 maart 2026 aan de vrouw bericht dat een bedrag van € 57.573,78 is ontvangen van Florius en een bedrag van € 16.187,91 van de bankrekening van de vrouw en dat het daardoor mogelijk is om de uitkoopsom van € 69.086,-- twee dagen na het passeren van de akte van verdeling aan de man te voldoen.
2.13.
De notaris heeft bij e-mail van 27 maart 2026 onder meer als volgt aan de man bericht:
“Wij hadden vorige week vrijdag (20-03-2026) telefonisch contact, waarbij wij hebben afgesproken dat uiterlijk vandaag met een reactie richting mij zou komen. Zojuist heb ik u gebeld om te vragen wat de stand van zaken is. U gaf aan gisterochtend een e-mail te hebben gestuurd naar ons kantoor. Helaas hebben wij deze e-mail niet van u mogen ontvangen. Wij zien de e-mail alsnog graag tegemoet. (…)
Daarnaast heeft u aangegeven dat u de akte die wij hebben opgesteld niet heeft mogen ontvangen. Uit ons systeem blijkt helaas anders (zie bijlage: Screenshot). Voor de goede orde treft u bijgaand nogmaals de meest recente akte van verdeling aan.
(…)
Wij hebben u eerder een volmacht voorgesteld. U gaf aan dat u liever bij de notaris aan tafel te willen passeren, dat is uw goed recht. Hierbij moet ik aangeven dat de eerst volgende mogelijkheid in de agenda van de notaris 9 juni 2026 betreft. Gezien de akte van ontslag geldig is tot 20 juni 2026, wilde ik u hierop attenderen, gezien onze agenda erg snel vol raakt. Als u het fijn vindt, kunnen wij een afspraak onder voorbehoud in de agenda reserveren, zodat u in ieder geval een plekje heeft, mocht er tegen die tijd overeenstemming zijn bereikt. Graag verneem ik van u, indien u hier gebruik van wenst te maken, welke datum u dan zou willen reserveren.”
2.14.
De man heeft de notaris bij e-mail van 29 maart 2026 onder meer als volgt bericht:
“In de bijlage tref je de screenshot van de documenten in het portaal vorige week. Hiertussen is de akte van verdeling niet beschikbaar zoals je kunt zien (alleen twee andere documenten), terwijl ik een afspraak had met mijn adviseur om het te beoordelen.
(…)
De mail zoals je die zou krijgen, tref je hieronder. Ik zag dat deze niet is verzonden en in mijn concepten is blijven hangen. Daarom is die niet ontvangen.
========
2.15.
De notaris heeft bij e-mail van 8 april 2026 aan beide partijen bericht dat de ‘akte van ontslag’ geldig is tot 20 juni 2026 en dat er halverwege juni nog plek is in de agenda om deze akte te passeren. De notaris heeft daarbij aangeraden om alvast een datum te reserveren.
2.16.
De advocaat van de man heeft bij e-mail van 16 april 2026 onder meer als volgt aan de advocaat van de vrouw bericht:
“U heeft namens uw cliënte geen termijn gevorderd terzake de toebedeling van de woning aan uw cliënte. De rechter kon daar dus ook niets over bepalen. Mijn cliënt heeft de notaris al laten weten op kantoor te willen tekenen. Cliënt kan midden juni, voor het verlopen van de akte van ontslag, op kantoor terecht.
(…)
Meerdere keren heb ik u verzocht om afschriften van de rekeningen van uw cliënte op de peildatum. Ook van de rekening met het [rekeningnummer 7] is nog steeds geen informatie ontvangen. Mag ik het saldo vernemen op de datum waarop deze rekening dan is opgeheven en ook bewijs waar het saldo naar is overgemaakt?
(…)
Er is geen enkele reden voor een nieuw kort geding. Cliënt werkt overal aan mee.”
2.17.
De advocaat van de vrouw heeft bij e-mail van 20 april 2026 onder meer als volgt aan de advocaat van de man bericht:
“Het tekenen van de akte bij de notaris dient niet pas in juni a.s. plaats te vinden, zoals uw cliënt laat opnemen in de mail van 16 april jl., maar NU en bovendien dient uw cliënt de woningmetterwoonte verlaten. Uw cliënt heeft voldoende gelegenheid gehad (ook na het vonnis van 9 februari jl.) om de woning te verlaten. Uw cliënt weigert willens en wetens de woning nu te verlaten. Onderhandelen over een vertrekmoment is niet aan de orde. Op 20 maart jl. is aan uw cliënt gemeld dat de financiering rond is en dat hij op het kantoor van de notaris is uitgenodigd om te komen tekenen. Ik verwijs naar de inhoud van mijn email van 24 maart jl.
Ondanks het feit dat alles bij de notaris gereed ligt voor ondertekening en uw cliënt een volmacht kan tekenen. In de mail van 8 april jl. van het notariskantoor is dat duidelijk vermeld. Uw cliënt werkt niet mee. En om die reden is het tweede kort geding nodig en zal de zitting ook doorgang vinden.
(…)
De gevraagde financiële gegevens van cliënte met betrekking tot haar bankrekeningen zijn reeds in de procedure gebracht en geaccordeerd door de Rechtbank, zie beschikking van 12 december jl. Bijgaand zend ik die u opnieuw. Ten aanzien van de opgeheven rekening is reeds eerder aangegeven dat deze rekening sinds 17 juli 2024 niet meer actief is. Een bevestiging daarvan van de ING treft u eveneens bijgevoegd.”
2.18.
De man heeft bij e-mail aan de notaris van 19 april 2026 ‘de afspraak op 9 juni 2026 bevestigd’. Daarbij heeft de man medegedeeld dat zijn advocaat doende is om in overleg met de vrouw een datum voor zijn vertrek uit de woning af te spreken.
2.19.
Bij e-mail van 22 april 2026 heeft de notaris als volgt aan de vrouw bericht:

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven – na vermindering van haar eis ter zitting bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring dan wel volmacht van de man die noodzakelijk is voor de notariële overdracht van zijn aandeel in de woning aan de vrouw met gelijktijdig ontslag van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op die woning rustende hypotheek;
2. de man te veroordelen de woning binnen één week na betekening van dit vonnis metterwoon en onder medeneming van uitsluitend zijn persoonlijke zaken te verlaten, zulks met afgifte van de sleutels – zo mogelijk via de notaris – aan de vrouw;
3. te bepalen dat de notaris het aan de man toekomende deel van de overwaarde ad € 69.086,-- dient over te maken op een door de man aan de notaris op te geven rekening,
een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de man in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – aan dat de man tot op heden weigert om mee te werken aan de notariële overdracht van zijn aandeel in de woning aan de vrouw. Daarnaast weigert de man volgens de vrouw de woning te verlaten. Hiermee handelt de man volgens de vrouw in strijd met zowel de beschikking van de rechtbank van 12 december 2025 als het vonnis van de voorzieningenrechter van 9 februari 2026. De vrouw stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Daarbij wijst zij erop dat de notariële akte van verdeling geldig is tot 20 juni 2026 en dat bij niet-tijdige medewerking van de man ook haar hypotheekofferte bij Florius komt te vervallen. In dat geval zullen volgens de vrouw tal van kosten opnieuw moeten worden gemaakt. Behoudens deze dreigende financiële schade en schade als gevolg van dubbele lasten, heeft het niet kunnen beschikken over de woning volgens de vrouw voor haar ook werkgerelateerde consequenties. De man heeft volgens de vrouw sinds de beschikking van 12 december 2025 voldoende tijd gehad om vervangende woonruimte te regelen.
3.3.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
3.4.
De man vordert – zakelijk weergegeven – na vermindering van zijn eis ter zitting bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:de tenuitvoerlegging van de beschikking van 12 december 2025 in afwachting van de uitkomst van de procedure in hoger beroep te schorsen;
subsidiair:
1. te bepalen dat de man na datum van dit vonnis zes maanden de tijd heeft om vervangende woonruimte te vinden en hem gedurende die periode het uitsluitend gebruik van de woning toe te kennen;
2. de vrouw te veroordelen om de originele bankafschriften over te leggen van de rekening met [rekeningnummer 3] op de peildatum en de datum van het huwelijk;
3. de vrouw te veroordelen om de originele bankafschriften te leggen van de rekening met [rekeningnummer 7] op de peildatum en gedurende de laatste maand voor opheffing van die rekening;
4. de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
voorwaardelijk subsidiair:voor het geval de vordering in conventie onder 2 wordt toegewezen, te bepalen dat voor de vrouw dezelfde termijn voor vertrek zal gelden als het hof de woning aan de man zal toedelen, te rekenen vanaf de datum van de beschikking.
3.5.
Daartoe voert de man – samengevat – het volgende aan. De rechtbank heeft de woning in de beschikking van 12 december 2025 totaal onverwacht toegedeeld aan de vrouw. De rechtbank heeft die beslissing volgens de man gemotiveerd met de overweging dat de man ter zitting in die procedure zou hebben verklaard dat hij overal in het land zou kunnen werken en dat hij over alternatieve woonruimte beschikt. De man weerspreekt onder verwijzing naar de zittingsaantekeningen van de mondelinge behandelingen in die procedure dat hij aldus heeft verklaard en daarmee berust de beschikking volgens hem in zoverre op ‘onwaarheden en aannames’. Volgens de man moet alvorens de woning feitelijk aan de vrouw wordt toegedeeld, in ieder geval de beslissing van het hof op de verzochte schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 12 december 2025 worden afgewacht. Daarbij wijst de man erop dat er door de woning reeds nu feitelijk aan de vrouw toe te delen mogelijk onnodige kosten worden gemaakt en er geen garantie is dat de vrouw de woning ingeval deze in hoger beroep alsnog hem wordt toegedeeld vrijwillig en in onbeschadigde staat zal verlaten. Ook stelt de man dat de vrouw de woning in de tussentijd kan verkopen aan een derde. In ieder geval stelt de man dat hij niet gehouden kan worden de woning binnen een week te verlaten. Volgens de man dienen partijen afspraken te maken over een ontruimingstermijn. Bij gebreke van die afspraken stelt de man dat hij nog tenminste zes maanden de tijd moet krijgen om vervangende woonruimte te vinden. Ook stelt de man dat eerst de inboedelgoederen en banksaldi moeten worden verdeeld alvorens tot feitelijke toedeling van de woning aan de vrouw kan worden overgegaan. Volgens de man weigert de vrouw de beschikking van de rechtbank van 12 december 2025 op deze onderdelen na te komen.
3.6.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
4.1.
De vorderingen in conventie en in reconventie hangen dusdanig met elkaar samen dat de voorzieningenrechter aanleiding ziet om deze hierna – voor zover mogelijk – gezamenlijk zal behandelen.
4.2.
De rechtbank heeft de woning in de beschikking van 12 december 2025 onder voorwaarden toegedeeld aan de vrouw. Anders dan de man lijkt te betogen, heeft de rechtbank aan die toedeling niet de voorwaarde verbonden dat eerst de verdeling van de inboedelgoederen en de banksaldi moet hebben plaatsgevonden. Dit betoog van de man wordt dan ook gepasseerd. De woning is inmiddels door een door partijen gezamenlijk benoemde makelaar-taxateur getaxeerd en de vrouw heeft vervolgens binnen de gestelde termijn aangetoond dat zij in staat is om het aandeel van de man in de woning over te nemen en hem te doen ontslaan uit diens hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldleningen. De notaris heeft op 26 maart 2026 bevestigd dat een bedrag van € 69.086, zijnde het aandeel van de man in de overwaarde, is ontvangen en dat dit bedrag binnen twee dagen na het passeren van de akte van verdeling aan de man kan worden uitgekeerd. De rechtbank heeft verder bepaald dat partijen elkaar over en weer op eerste verzoek van de ander medewerking dienen te verlenen aan de notariële overdracht van de woning. Bij vonnis van 9 februari 2026 heeft de voorzieningenrechter de vordering van man tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 12 december 2025 afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter – kort gezegd – overwogen dat de toedelingsbeslissing van de rechtbank niet op kennelijke feitelijke of juridische misslag berust en dat een in het kader van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring aan te leggen belangenafweging niet in het voordeel van de man uitvalt. De voorzieningenrechter heeft de man in het ter zake uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 9 februari 2026 veroordeeld om medewerking te verlenen in de ruimste zin van het woord aan toedeling van de woning aan de vrouw.
4.3.
Net als in het eerdere kort geding stelt de man zich ook in deze kortgedingprocedure op het standpunt dat de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de beschikking van 12 december 2025 voor de duur van de procedure in hoger beroep moet worden geschorst. Dat standpunt wordt wederom gepasseerd. Volgens de man berust de beslissing van de rechtbank om de woning aan de vrouw toe te delen op een feitelijke misslag. In dat verband verwijst de man naar het proces-verbaal van de bij de rechtbank gehouden twee zittingen. Hieruit blijkt volgens de man dat hij – anders dan de rechtbank heeft overwogen – niet heeft verklaard dat hij overal in het land kan werken en dat hij over alternatieve woonruimte kan beschikken. De voorzieningenrechter constateert dat op pagina 6 van het proces-verbaal van 30 juni 2025 valt te lezen dat de man heeft verklaard dat hij weliswaar op dit moment voor langere tijd in [plaats 2] werkt, maar dat een nieuwe opdracht overal in het land kan zijn. De omstandigheid dat een nieuwe opdracht overal in het land kan zijn, heeft de rechtbank meegewogen in haar afweging dat de man minder aan de regio is gebonden dan de vrouw. Dit kan voorshands niet als een feitelijke misslag worden aangemerkt. De rechtbank heeft – anders dan de man stelt – in de beschikking niet overwogen dat de man heeft verklaard dat hij over alternatieve woonruimte beschikt. De rechtbank heeft overwogen dat de situatie van beide partijen verre van ideaal is op het moment dat de woning aan de ander wordt toegedeeld. Daarbij heeft de rechtbank aangenomen dat beide partijen naar verwachting (tijdelijk) zullen moeten terugvallen op verblijf bij familie. In dat kader heeft de rechtbank overwogen dat de man niet heeft weersproken dat de ouders van de man over een ruimte woning in [plaats 3] beschikken en dat de man daar tijdelijk kan verblijven. Dat zijn ouders over een ruime woning beschikken heeft de man niet weersproken. Evenmin is gebleken dat het voor de man in absolute zin onmogelijk is om tijdelijk bij zijn ouders te verblijven. De omstandigheid dat hij bij een verblijf in [plaats 3] met een langere reistijd van en naar werk wordt geconfronteerd, vormt geen absolute onmogelijkheid voor een tijdelijk verblijf in die woning. Dat de man het niet eens is met (de uitkomst van) de door de rechtbank uitgevoerde belangenafweging, is zijn goed recht maar bij gebreke van evidente feitelijke misslagen in het kader van die uitgevoerde belangenafweging, is het oordeel over de juistheid van die belangenafweging voorbehouden aan de appelrechter. De man heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zijn belang bij behoud van de bestaande toestand hangende het hoger beroep tegen de beschikking van 12 december 2025 zwaarder zou moeten wegen dan het belang van de vrouw bij uitvoerbaarheid bij voorraad van die beschikking. De stelling van de man dat er een reële kans bestaat dat de appelrechter de woning alsnog aan hem zal toedelen, kan de man niet baten, aangezien de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing moet blijven, zulks nog daargelaten dat op dit moment over die kans geen zinnig woord kan worden gezegd. Dat – zoals de man stelt – feitelijke toedeling van de woning aan de vrouw tot onomkeerbare gevolgen zal leiden, kan voorshands niet worden aangenomen. Er is immers geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de vrouw de woning vooruitlopend op het oordeel van de appelrechter aan een derde zal verkopen en evenmin dat zij bij toedeling van de woning in hoger beroep aan de man haar medewerking aan die toedeling zal onthouden. Een en ander betekent dat er ook op dit moment geen grond is voor de door de man gevorderde schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van 12 december 2025.
4.4.
Hoewel de akte van verdeling al sinds 20 maart 2026 ten kantore van de notaris ter ondertekening door beide partijen gereed ligt, heeft de man deze akte tot op heden niet ondertekend. De man heeft geen reden aangevoerd waarom hij deze akte niet – zoals de notaris hem op 20 maart 2026 telefonisch heeft aangeboden – op 20 maart of 23 maart 2026 in persoon ten kantore van de notaris heeft ondertekend. Op 27 maart 2026 heeft de notaris de man voorgehouden dat de agenda zich snel vult en dat het om die reden noodzakelijk is om een datum voor ondertekening in persoon te reserveren. Daarbij heeft de notaris 9 juni 2026 als mogelijke datum genoemd. Vaststaat dat de man die datum niet heeft gereserveerd en dat hij pas op 19 april 2026 aan de notaris heeft bevestigd dat 9 juni 2026 hem schikt. De man stelt dat de notaris hem de akte van verdeling hem niet in concept ter beschikking heeft gesteld en dat dit tot vertraging heeft geleid. De notaris heeft dit in de correspondentie weersproken. Wat hier verder ook van zij, niet valt in te zien dat daarmee sprake was van een belemmering voor het reserveren van een datum voor ondertekening in persoon. Als de man 9 juni 2026 als datum voor ondertekening had gereserveerd, had hij immers nog voldoende tijd gehad om de concept akte van verdeling – voor zover deze zich niet bij de beschikbaar gestelde stukken bevond – op te vragen en te bestuderen. De notaris heeft inmiddels te kennen gegeven dat 9 juni 2026 niet langer beschikbaar is. De voorzieningenrechter is met de vrouw van oordeel dat het gelet op voormelde feitelijke gang van zaken in overwegende mate aan de man te wijten is dat de akte van verdeling nog niet is ondertekend en de woning feitelijk nog niet aan de vrouw is toegedeeld. De notaris heeft schriftelijk bevestigd dat de akte van verdeling geldig is tot 20 juni 2026. Hoewel niet kan worden uitgesloten dat de geldigheidsduur van deze akte en/of de hypotheekakte zoals opgesteld door Florius kan worden verlengd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat redelijkerwijs niet van de vrouw kan worden gevergd dat zij bewilligt in een langer uitstel van de feitelijke toedeling van de woning, die het vasthouden door de man aan zijn wens om zelf ten kantore van de notaris te tekenen tot gevolg zal hebben. Nu niet valt in te zien dat de man op onevenredige wijze in zijn belangen wordt geschaad als de akte van verdeling middels volmacht door hem wordt ondertekend (de man kan zich immers door zijn advocaat dan wel telefonisch of per e-mail door de notaris over de gevolgen van de feitelijke toedeling van de woning aan de vrouw laten voorlichten voor zover dat nog niet is gebeurd), zal de voorzieningenrechter de man veroordelen om binnen een week na datum van dit vonnis mee te werken aan het verstrekken van een volmacht op basis waarvan de woning feitelijk aan de vrouw kan worden toegedeeld. De vrouw heeft gelet op de tijd die reeds is verstreken sinds 20 maart 2026 bij die voorziening een spoedeisend belang. Bepaald zal worden dat indien de man aan die veroordeling niet voldoet, dit vonnis in de plaats zal treden van de voor de feitelijke toedeling van de woning aan de vrouw noodzakelijke wilsverklaringen van de man.
4.5.
De vrouw heeft in conventie tevens gevorderd te bepalen dat de man de woning binnen één week na betekening van dit vonnis dient te verlaten. De man stelt terecht dat tot op heden in rechte nog niet over een ontruimingstermijn is beslist. De door de vrouw gevorderde termijn van één week komt de voorzieningenrechter onredelijk kort voor. Hoewel de man al sinds 12 december 2025 bekend is met de toedeling van de woning aan de vrouw en hij dus al enige tijd heeft gehad om alternatieve woonruimte te zoeken, zal de voorzieningenrechter hem daartoe redelijkerwijs nog tot 1 juli 2026 in de gelegenheid stellen. Een langere termijn verhoudt zich niet met het spoedeisend belang van de vrouw bij toedeling van de woning aan haar op korte termijn. De man dient de woning dus uiterlijk op 1 juli 2026 te hebben verlaten, onder afgifte (bij voorkeur via de notaris) van de sleutels aan de vrouw en met medeneming van zijn persoonlijke zaken, waaronder begrepen de aan hem toekomende inboedelgoederen waarover partijen wellicht vóór die datum in onderling overleg afspraken hebben gemaakt. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om deze veroordeling met een dwangsom te versterken. De man heeft ter zitting toegezegd dat hij de woning tot zijn vertrek niet zal beschadigen. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de man die toezegging gestand zal doen.
4.6.
De vordering van de vrouw om te bepalen dat de notaris het aan de man toekomende deel van de overwaarde aan de man dient te betalen, zal worden afgewezen. De vrouw kan dit verzoek immers zelf aan de notaris doen en behoeft daarvoor geen vonnis.
4.7.
De in conventie toe te wijzen vorderingen zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Daartoe is van belang dat het belang van de vrouw bij directe uitvoering van deze beslissingen zwaarder weegt dan het belang van de man bij handhaving van de bestaande situatie voor de duur van een tegen dit vonnis in te stellen rechtsmiddel.
4.8.
Vervolgens komt de voorzieningenrechter toe aan de subsidiaire vorderingen in reconventie van de man. Die zijn geen van alle toewijsbaar. Hiervoor is reeds overwogen dat de man de woning uiterlijk op 1 juli 2026 dient te verlaten. Voor het toekennen van een ruimere periode aan de man ontbreekt een rechtsgrond. Nu uit het voorgaande reeds volgt dat de vrouw eerst vanaf 1 juli 2026 haar intrek in de woning kan nemen, heeft de man onvoldoende belang bij toekenning van het uitsluitend gebruik van de woning gedurende de periode tot 1 juli 2026. De vrouw heeft ter zitting toegezegd dat zij de door de man gevorderde bankafschriften (opnieuw) binnen zes weken zal verstrekken. Die termijn komt de voorzieningenrechter, gelet op het feit dat deze afschriften naar verwachting moeten worden opgevraagd en schriftelijk door de bank moeten worden verstrekt, redelijk voor. Gelet op deze toezegging door de vrouw, waarbij de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat de vrouw deze gestand zal doen, ontbreekt het de man aan een spoedeisend belang bij een veroordeling van de vrouw tot het overleggen van die bankafschriften. De daartoe strekkende vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.
4.9.
Tenslotte heeft de man nog een voorwaardelijke subsidiaire vordering ingediend. Nu de voorwaarde is vervuld, komt de voorzieningenrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van die vordering, die ertoe strekt een ontruimingstermijn voor de vrouw te bepalen voor de situatie dat het hof de woning alsnog aan de man zal toedelen. Nu voorshands volstrekt onduidelijk is wat het hof in hoger beroep gaat beslissen en evenmin op voorhand kan worden aangenomen dat de vrouw in die situatie de woning niet vrijwillig zal verlaten, dient deze vordering op dit moment bij gebrek aan (spoedeisend) belang te worden afgewezen.
4.10.
In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij zowel in conventie als in reconventie de eigen proceskosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
in conventie
5.1.
veroordeelt de man om binnen een week na datum van dit vonnis mee te werken aan het verstrekken van een volmacht op basis waarvan de woning aan de [adres] feitelijk aan de vrouw kan worden toegedeeld en bepaalt dat als de man aan die veroordeling niet voldoet, dit vonnis in de plaats zal treden van de voor de feitelijke toedeling van de woning aan de vrouw noodzakelijke wilsverklaringen van de man;
5.2.
veroordeelt de man om de woning aan de [adres] uiterlijk op 1 juli 2026 met medeneming van zijn persoonlijke zaken als hiervoor weergegeven te verlaten, zulks onder afgifte (bij voorkeur via de notaris) van de sleutels aan de vrouw;
5.3.
bepaalt dat de man een dwangsom verbeurt van € 500,-- per dag dat hij in gebreke blijft met het voldoen aan de veroordeling onder 5.2, met een maximum van € 10.000,--;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde;
in reconventie
5.7.
wijst het gevorderde af;
5.8.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2026.
mw