Eiseres en gedaagden sloten op 1 juni 2025 een koopovereenkomst waarbij gedaagden hun aandelen in een vennootschap verkochten aan eiseres, met garanties en vrijwaringsbepalingen. Na een vonnis van de kantonrechter waarbij de vennootschap werd veroordeeld tot betaling aan een derde partij, vorderde eiseres nakoming van de vrijwaringsverplichtingen door gedaagden.
De rechtbank oordeelt dat de vorderingen van eiseres onvoldoende aannemelijk zijn, mede omdat de vennootschap inmiddels is ontbonden via turboliquidatie, waardoor onduidelijk is of en hoe de lastgevingsovereenkomst voortduurt. Daarnaast is niet aannemelijk dat de derde partij executiemaatregelen tegen eiseres dreigt, waardoor het spoedeisend belang ontbreekt.
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten van gedaagden. De uitspraak benadrukt de terughoudendheid bij geldvorderingen in kort geding en het belang van voldoende bewijs en spoedeisend belang.