Verzoekers, christenen uit Pakistan, hadden asielaanvragen afgewezen gekregen en beroep ingesteld. De minister was voornemens lp-aanvragen in te dienen bij Pakistaanse autoriteiten, wat verzoekers wilden voorkomen met een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het delen van persoonsgegevens zoals achternamen en woonplaats in dit geval een asielgerelateerde strekking heeft, omdat verzoekers vanwege hun geloof en beschuldiging van blasfemie risico lopen op vervolging. Dit kan het beginsel van non-refoulement schenden en de effectiviteit van het beroep ondermijnen.
Daarom werd de voorlopige voorziening getroffen dat de minister geen lp-aanvragen mag indienen zolang de beroepen lopen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekers. De uitspraak is zonder zitting gedaan en bindt de rechter in de bodemprocedure niet.