ECLI:NL:RBDHA:2026:10822
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing asielaanvraag Eritrese verzoeker
De verzoeker, afkomstig uit Eritrea, heeft meerdere asielaanvragen ingediend sinds oktober 2020, waarvan de eerste werd afgewezen op grond van de Dublinprocedure. Na diverse aanvragen en procedures is de meest recente aanvraag van 21 september 2025 door de minister op 5 januari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. De verzoeker werd bevolen Nederland onmiddellijk te verlaten.
Tegen deze afwijzing is beroep ingesteld en is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met het beroep op 9 april 2026 behandeld, waarbij de gemachtigden van beide partijen aanwezig waren, maar de verzoeker zelf niet.
De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat nu de hoofdzaak (het beroep) reeds is behandeld en een uitspraak is gedaan, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de asielaanvraag is afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.