ECLI:NL:RBDHA:2026:10822

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
NL26.1820
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen afwijzing asielaanvraag Eritrese verzoeker

De verzoeker, afkomstig uit Eritrea, heeft meerdere asielaanvragen ingediend sinds oktober 2020, waarvan de eerste werd afgewezen op grond van de Dublinprocedure. Na diverse aanvragen en procedures is de meest recente aanvraag van 21 september 2025 door de minister op 5 januari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. De verzoeker werd bevolen Nederland onmiddellijk te verlaten.

Tegen deze afwijzing is beroep ingesteld en is tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met het beroep op 9 april 2026 behandeld, waarbij de gemachtigden van beide partijen aanwezig waren, maar de verzoeker zelf niet.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat nu de hoofdzaak (het beroep) reeds is behandeld en een uitspraak is gedaan, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de asielaanvraag is afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.1820
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. K. Boonen).

Inleiding

1. In deze uitspraak behandelt de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep van verzoeker tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Verzoeker heeft eerder op 13 oktober 2020 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen, omdat Italië hiervoor verantwoordelijk op grond van de Dublinprocedure. Verzoekers beroep daartegen is op 17 januari 2022 verklaard. Hierna heeft verzoeker op 3 december 2022, op 13 april 2023 en op 13 juni 2024 asielaanvragen ingediend. De laatste twee asielaanvragen zijn buiten behandeling gesteld, omdat verzoeker op dat moment met onbekende bestemming was vertrokken.
1.2.
Verzoeker heeft op 21 september 2025 opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, na een overdracht door de Franse autoriteiten in het kader van de Dublin. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker dient Nederland onmiddellijk te verlaten.
1.3.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep (NL26.1819), op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.1819, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 07 mei 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.