Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10794

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
NL26.12864
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 VwArt. 43 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag Iran onder besluitmoratorium

Eiser, afkomstig uit Iran, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 7 juli 2025 en moest in beginsel binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 20 februari 2026 schriftelijk in gebreke en diende op 9 maart 2026 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat de ingebrekestelling en het beroep tijdig zijn ingediend, namelijk voordat het besluitmoratorium voor Iraanse asielaanvragen op 24 maart 2026 in werking trad. Dit moratorium verlengt de beslistermijn met maximaal één jaar, waardoor de minister uiterlijk op 7 januari 2027 moet beslissen.

Omdat de beslistermijn nog niet is verstreken, is het beroep kennelijk ongegrond. De rechtbank wijst eiser een proceskostenvergoeding toe van € 467,- vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp bij het indienen van het beroepschrift. De minister wordt veroordeeld tot betaling van deze kosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is ontvankelijk maar ongegrond verklaard vanwege het besluitmoratorium.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.12864
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R. Hijma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?

3. De minister heeft de aanvraag op 7 juli 2025 ontvangen. De minister moet in beginsel uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.3
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2025/4 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2025 weer een beslistermijn van zes maanden.
4. Eiser komt uit Iran. Met ingang van 24 maart 2026 geldt voor asielaanvragen van vreemdelingen uit Iran een besluitmoratorium.4 De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.5
5. Eiser heeft de minister op 20 februari 2026 in gebreke gesteld. Eiser heeft op
9 maart 2026, meer dan twee weken na de ingebrekestelling, beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. De rechtbank stelt vast dat het besluitmoratorium nog niet van kracht was toen eiser de ingebrekestelling en het beroep instelde. De ingebrekestelling en het beroep zijn tijdig ingediend. Het beroep is dus ontvankelijk.
6. Het moratorium is mede van toepassing op asielaanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium.6 De aanvraag van eiser valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het moratorium.
7. De minister dient uiterlijk op 7 januari 2027 te beslissen op de aanvraag (7 juli 2025 + zes maanden + één jaar, tot in totaal ten hoogste 21 maanden). De beslistermijn is derhalve nog niet verstreken. Hieruit vloeit voort dat het beroep kennelijk ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Eiser heeft zijn beroep aanvankelijk terecht ingesteld. Toen hij dat deed, was het moratorium immers nog niet van kracht. Om die reden krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
4 Stcrt 2026, 11864.
5 Artikel 43, eerste lid, van de Vw en artikel 2 van Pro het Besluit tot het instellen van een besluitmoratorium en vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Iran.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
04 mei 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.