Eiser, afkomstig uit Iran, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 7 juli 2025 en moest in beginsel binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 20 februari 2026 schriftelijk in gebreke en diende op 9 maart 2026 beroep in tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is omdat de ingebrekestelling en het beroep tijdig zijn ingediend, namelijk voordat het besluitmoratorium voor Iraanse asielaanvragen op 24 maart 2026 in werking trad. Dit moratorium verlengt de beslistermijn met maximaal één jaar, waardoor de minister uiterlijk op 7 januari 2027 moet beslissen.
Omdat de beslistermijn nog niet is verstreken, is het beroep kennelijk ongegrond. De rechtbank wijst eiser een proceskostenvergoeding toe van € 467,- vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp bij het indienen van het beroepschrift. De minister wordt veroordeeld tot betaling van deze kosten.