Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10792

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
NL25.50735
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Vreemdelingenwet 2000Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar op grond van politieke overtuiging en seksuele gerichtheid

Eiser, van Georgische nationaliteit, diende een asielaanvraag in op grond van zijn betrokkenheid bij de Verenigde Nationale Beweging (VNB) en zijn biseksuele gerichtheid. Hij stelde dat hij in Georgië werd vervolgd vanwege zijn politieke activiteiten en seksuele geaardheid, en dat hij vreest voor geweld en uitsluiting bij terugkeer.

De Minister van Asiel en Migratie achtte de identiteit en betrokkenheid van eiser bij de VNB geloofwaardig, maar kwalificeerde zijn politieke overtuiging als zwak en vond de vrees voor vervolging niet aannemelijk. Ook de biseksuele gerichtheid werd niet op geloofwaardigheid getoetst, omdat de vrees daarvoor onvoldoende was onderbouwd. De rechtbank bevestigde deze beoordeling en oordeelde dat eiser onvoldoende concrete feiten en omstandigheden had aangevoerd om zijn vrees aannemelijk te maken.

De rechtbank nam mee dat eiser slechts sporadisch politieke activiteiten verrichtte, zijn politieke mening sinds 2014 niet meer uitte, en dat er in Georgië adequate beschermingsmogelijkheden bestaan, waaronder een werkend rechtssysteem tegen hate crimes. Ook de vrees voor geweld vanuit familieleden wegens zijn seksuele gerichtheid was gebaseerd op vermoedens en onvoldoende concreet onderbouwd.

Gelet op deze omstandigheden verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter G.A. Bouter-Rijksen op 21 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50735

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.B. Ullah),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 10 oktober 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Georgische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is aanhanger van de Verenigde Nationale Beweging (VNB) in Georgië en heeft in Georgië deelgenomen aan politieke activiteiten voor deze beweging. Hij heeft daardoor problemen gekregen met de Georgische politie. Eiser is aangehouden, vastgehouden en mishandeld door de politie. Eiser heeft verder verklaard dat hij biseksueel is en dat hij daardoor problemen heeft gekregen met zijn vrouw en haar familie in Frankrijk. Hij vreest bij terugkeer naar Georgië dat hij vanwege zijn biseksuele gerichtheid problemen krijgt met zijn eigen familie, de familie van zijn vrouw en de samenleving. Ook vreest hij opnieuw problemen te krijgen met de autoriteiten in Georgië vanwege zijn politieke opvattingen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Betrokkenheid bij de VNB, deelname aan activiteiten van deze beweging en eisers politieke overtuiging;
  • Biseksuele gerichtheid en daaruit voortvloeiende problemen.
4.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook vindt verweerder eisers betrokkenheid bij de VNB en zijn deelname aan activiteiten van deze beweging geloofwaardig. Verweerder neemt aan dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar stelt zich op het standpunt dat sprake is van een zwakke politieke overtuiging. Volgens verweerder heeft eiser zijn vrees vanwege zijn politieke overtuiging niet aannemelijk gemaakt.
4.2.
Verder heeft verweerder eisers biseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet op geloofwaardigheid beoordeeld. Volgens verweerder is er, ook als de biseksuele gerichtheid van eiser geloofwaardig is, geen aanleiding tot het verlenen van een asielvergunning, omdat eiser zijn vrees bij terugkeer naar Georgië niet aannemelijk heeft gemaakt.
De beroepsgronden
5. Eiser betoogt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat verweerder eiser onvoldoende heeft bevraagd over zijn politieke overtuiging. Hij stelt zich verder op het standpunt dat verweerder aan de eerdere mishandeling van eiser niet het juiste gewicht heeft toegekend. Eiser betoogt verder dat hij bij terugkeer naar Georgië weldegelijk heeft te vrezen vanwege zijn biseksuele gerichtheid. Hij vreest voor sociale en maatschappelijke uitsluiting en fysieke repercussies vanuit zijn (schoon)familie. Hij stelt ook dat hij in Georgië geen effectieve bescherming kan inroepen van de autoriteiten.
De beoordeling van de beroepsgronden
Politieke overtuiging
6. Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser in 2014 politiek actief is geworden voor de VNB. Ook vindt verweerder geloofwaardig dat eiser op 15 november 2014 in de nacht met twee anderen posters heeft geplakt en graffiti heeft getekend uit naam van de VNB. Verder vindt verweerder geloofwaardig dat eiser in Georgië soms deelnam aan bijeenkomsten van de VNB tegen de annexaties van Rusland en dat eiser heeft deelgenomen aan de Rozenrevolutie. Eiser heeft hierover verklaard dat hij alleen bij de bijeenkomsten aanwezig was en daarbij geen andere rol had. Eiser heeft ook aangegeven dat hij het bewind van president Saakasjvili steunde. Verweerder vindt voorts geloofwaardig dat eiser tijdens het plakken van de posters en het tekenen van de graffiti in 2014 is gearresteerd en is meegenomen door de politie, hij vervolgens twee dagen heeft vastgezeten en toen is mishandeld door de politie. Daarna is eiser vrijgekomen, maar moest hij van de politiechef van de regio Georgië verlaten. Verweerder heeft uit het voorgaande geconcludeerd dat eiser een politieke overtuiging heeft, maar stelt dat dit een zwakke politieke overtuiging betreft.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers politieke overtuiging zwak is. Dat eiser zijn hele leven aanhanger is van de VNB maakt niet dat hij reeds daarom een sterke politieke overtuiging heeft. De beoordeling van de sterkte van een politieke overtuiging is immers afhankelijk van meerdere facetten. Zo is onder meer van belang welke politieke overtuiging, gedachte of mening eiser heeft, welke persoonlijke beweegredenen hij heeft om zich aan te sluiten bij een bepaalde beweging, of en in welke hoedanigheid eiser is aangesloten bij een beweging, hoe hij zijn opvattingen heeft geuit en welke activiteiten hij heeft verricht. Daarbij is het uitgangspunt dat het aan eiser is om aan te tonen dat hij een sterke politieke overtuiging heeft.
8. Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser in algemene termen heeft verklaard over de politieke doeleinden die de VNB heeft (gehad). Zo heeft hij verklaard dat ze voor Europese integratie staan en tegen de Sovjet Unie zijn. Eiser heeft niet verteld over de politieke idealen waar hij (volgens zijn zienswijze) achter zou staan. Eiser heeft verder verklaard dat hij nooit lid is geworden van de VNB, omdat hij niet zo actief was voor de beweging en hij nooit had gedacht aan een politieke carrière. Hij deed dit vooral voor zijn vader en was zelf vooral bezig met sport. Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser hiermee onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom het voor hem persoonlijk belangrijk was om zich in te zetten voor de VNB. Hieruit volgt dan ook niet dat eiser een sterke politieke overtuiging heeft. Eiser heeft ook verklaard dat hij de VNB op dit moment niet meer volgt omdat hij al lang niet meer in Georgië woont [2] . Ook hieruit kan niet worden opgemaakt dat eiser een sterke politieke overtuiging heeft en waarom het aanhangen van deze beweging zo belangrijk voor hem is. Hoewel verweerder erkent dat er aan eiser meer vragen hadden kunnen worden gesteld over zijn beweegredenen en zijn eigen gedachtegang, neemt dit niet weg dat de verklaringen die eiser wél heeft gegeven aan de oppervlakte blijven en niet getuigen van een sterke politieke overtuiging. Bovendien geldt dat ook als eiser meer had verklaard over zijn beweegredenen en gedachtegang, dit niet wegneemt dat niet is gebleken dat eiser erg actief was voor de VNB. Zo heeft eiser verklaard dat hij bij bijeenkomsten van de VNB alleen aanwezig was. Hieruit blijkt niet dat eiser bijvoorbeeld een prominente rol had binnen de VNB. Voorts heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser slechts aan enkele activiteiten van de VNB deelnam. Zo heeft hij verklaard dat hij ‘niet heel veel’ naar bijeenkomsten ging. Hij heeft ook maar één keer posters geplakt en graffiti getekend voor de VNB. Eiser heeft zijn politieke mening hierna niet meer geuit. Zo deed hij in Frankrijk niets met zijn politieke mening en ook in Nederland uit hij deze niet. Verweerder heeft er verder op gewezen dat uit de internetscreening van 8 oktober 2025 ook niet is gebleken dat eiser recent zijn politieke mening heeft geuit. Hij heeft weliswaar in september/oktober 2017 drie nieuwsberichten met betrekking tot politieke personen gedeeld op zijn Facebookpagina, maar verweerder stelt niet ten onrechte dat dit niet kan worden gezien als een uiting van eisers persoonlijke politieke mening, omdat eiser zelf geen opmerkingen heeft geplaatst bij deze berichten. Deze berichten zijn bovendien lang geleden geplaatst. Ook hieruit volgt niet dat eiser een sterke politieke overtuiging heeft.
9. Verweerder heeft vervolgens getoetst of eiser vanwege zijn (zwakke) politieke overtuiging gegronde vrees voor vervolging heeft. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser zijn vrees vanwege zijn politieke overtuiging niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft daarbij betrokken dat uit landeninformatie volgt dat er in Georgië nieuwe wetten zijn aangenomen die de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging beperken (Human Rights Watch, World Report 2025, p. 183). Dit betekent echter niet zonder meer dat eiser persoonlijk bij terugkeer in de negatieve belangstelling komt te staan van de Georgische autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser had geen bijzondere rol binnen de VNB en heeft ook slechts enkele activiteiten verricht, die bovendien lang geleden hebben plaatsgevonden. Eiser heeft zijn politieke mening voor het laatst geuit in 2014. Hij uitte zijn politieke mening namelijk niet in Frankrijk en ook niet in Nederland. Nu eiser zijn politieke mening niet heeft geuit in Frankrijk en Nederland, landen waarin eiser zijn politieke mening wel veilig en in vrijheid had kunnen uiten, vindt verweerder het terecht niet aannemelijk dat eiser dit bij terugkeer naar Georgië wel zal gaan doen. De enkele stelling van eiser dat hij zich genoodzaakt zal voelen weer politiek actief te worden als hij noodgedwongen moet terugkeren naar Georgië en dan zou merken dat het niet goed gaat met het land, maakt dit niet anders, reeds omdat eiser in de afgelopen jaren geen aanleiding heeft gezien zijn politieke overtuiging te uiten.
10. Verweerder stelt ook niet ten onrechte dat de omstandigheid dat eiser in november 2014 één keer is gearresteerd, vastgehouden en mishandeld door de autoriteiten nadat hij posters had geplakt en graffiti had getekend, niet maakt dat eiser bij terugkeer opnieuw in de negatieve aandacht komt te staan van de Georgische autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging. Verweerder heeft deze geloofwaardig geachte arrestatie en mishandeling betrokken in zijn afweging, maar stelt niet ten onrechte dat dit niet betekent dat dit eiser bij terugkeer nog een keer zal overkomen. Verweerder heeft hier terecht bij betrokken dat eiser zijn politieke overtuiging in Frankrijk en Nederland niet heeft geuit. Het incident heeft bovendien lang geleden plaatsgevonden. Na dit incident heeft eiser nog ongeveer een jaar in Georgië verbleven zonder dat hij daarbij problemen heeft ondervonden. Ook als eiser in dit jaar grotendeels zat ondergedoken geldt dat er geruime tijd is gepasseerd waarin eiser niets meer heeft vernomen van de Georgische autoriteiten en niet is gebleken dat de Georgische autoriteiten eiser bijvoorbeeld nog aanvullend zouden willen bestraffen vanwege zijn activiteiten in 2014. Ook eisers familie heeft niets meer van de Georgische autoriteiten vernomen. Zo heeft eiser verklaard dat zijn moeder na maart 2015 niet meer is aangesproken vanwege zijn politieke activiteiten. Eiser heeft bovendien alleen summier kunnen verklaren waarom hij denkt dat zijn eerdere aanhouding na 11 jaar nog steeds voor problemen zal zorgen in Georgië. Zo heeft hij alleen verklaard dat er zoveel angst is gezaaid dat hij nog steeds doodsbang is. Hiermee heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de Georgische autoriteiten staat of komt te staan. Gelet op het voorgaande stelt verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment nog steeds in de negatieve aandacht van de Georgische autoriteiten staat of komt te staan.
Biseksuele gerichtheid
11. Volgens paragraaf C1/4.1, vijfde lid, van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover hier van belang, kan verweerder de geloofwaardigheid van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de asielmotieven in het midden laten indien hij aanleiding ziet de feiten en omstandigheden enkel te beoordelen op zwaarwegendheid. In dit geval heeft verweerder in het midden gelaten of eisers biseksuele gerichtheid geloofwaardig is. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat ook als eisers biseksuele gerichtheid geloofwaardig is, dit geen aanleiding geeft tot het verlenen van een asielvergunning, omdat eisers vrees vanwege zijn biseksuele gerichtheid niet aannemelijk is. De rechtbank zal dit hierna toetsen.
12. Eiser heeft verklaard dat hij bij terugkeer naar Georgië vreest dat zijn biseksuele gerichtheid bekend zal worden in de samenleving, waardoor hij geen vrienden meer zal hebben en er alleen voor komt te staan. Ook vreest hij dat zijn ooms (de broers van zijn vader) hem geweld zullen aandoen als zij achter zijn geaardheid komen. Daarbij vreest eiser te worden vermoord door deze ooms en/of de vader van zijn vrouw in Georgië. Verweerder stelt niet ten onrechte dat eisers vrees alleen is gebaseerd op vermoedens. Eiser heeft weliswaar aangegeven dat zijn moeder en zussen op de hoogte zijn van zijn seksuele gerichtheid, maar hieruit volgt niet dat dit verder bekend is geworden of zal worden in de Georgische samenleving. Daarnaast heeft eiser zijn vrees voor zijn ooms enkel gebaseerd op een telefoontje van zijn zussen, waaruit eiser heeft geconcludeerd dat zij boos op hem zijn. Dat eiser heeft verklaard dat hij vermoedt dat hem fysiek geweld zal overkomen, heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om eisers vrees aannemelijk te achten. Eiser heeft hiermee geen concrete feiten of omstandigheden genoemd waaruit blijkt dat zijn ooms hem geweld zullen aandoen, of dat zij hem reeds persoonlijk hebben benaderd. Eiser heeft ook zijn vrees voor de familie van zijn vrouw alleen gebaseerd op een vermoeden. Hij heeft immers enkel aangegeven dat als hij ergens in de buurt zal verschijnen, zij fysiek met eiser zullen afrekenen. Eiser heeft niet onderbouwd waar hij dit op baseert. Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser met de voorgaande vermoedens zijn vrees niet aannemelijk heeft gemaakt.
13. Verweerder stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat eiser vaag en summier heeft verklaard over hoe de familie van zijn vrouw hem heeft bedreigd met het gebruiken van geweld. Eiser heeft alleen ten kennen gegeven dat zij tegen hem hebben gezegd dat zij hem zullen ‘doden en afmaken’ als hij daar komt en dat eiser een schande voor hen is. Op de vraag om hier meer informatie over te geven heeft eiser alleen aangegeven dat de ooms en de vader van zijn vrouw dit tegen hem hebben gezegd. Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser hiermee zijn vrees voor de ooms en vader van zijn vrouw niet concreet en aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser onduidelijk is geweest over of de vader en ooms van zijn vrouw überhaupt in Georgië verblijven. Daarnaast heeft eiser vaag verklaard wanneer hij is bedreigd, nu hij alleen heeft aangegeven dat dit tegen hem is gezegd ‘toen het bekend werd’. Verweerder stelt voorts niet ten onrechte dat eiser vaag heeft verklaard over hoe vaak hij door de ooms en de vader van zijn vrouw zou zijn bedreigd. Eiser heeft hier geen duidelijkheid over kunnen geven en heeft alleen aangegeven dat hij ‘na dat gesprek uit het gezin werd verjaagd’. Niet duidelijk is geworden op welk gesprek eiser hierbij doelt. Niet is gebleken dat niet van eiser kan worden verwacht dat hij duidelijke en samenhangende verklaringen kan afleggen. Eiser is immers opgeleid, heeft gewerkt en heeft altijd deel uitgemaakt van de samenleving. Daardoor mocht verweerder van hem verwachten dat hij zijn vrees en zijn persoonlijke verhaal duidelijk onder woorden kon brengen. Hoewel eiser tijdens het gehoor heeft aangegeven dat hij het soms lastig vindt om te verklaren over zijn biseksuele gerichtheid, zijn er uit het gehoor en het medisch advies geen concrete aanknopingspunten af te leiden dat eiser niet in staat was om te verklaren over zijn vrees vanwege zijn seksuele gerichtheid.
14. Verweerder heeft verder betrokken dat uit landeninformatie blijkt dat de tolerantie rondom LHBTI-personen onder de samenleving in Georgië afneemt, maar stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eisers enkele stelling dat hij, als zijn seksuele gerichtheid bekend wordt, geen vrienden meer heeft en hij er alleen voor komt te staan, onvoldoende is om zijn vrees aannemelijk te maken. Eiser heeft niet onderbouwd waarom hem dit te wachten zal staan. Voor zover eiser een beroep doet op de onlangs ingevoerde anti-LHBTI wetgeving in Georgië, heeft verweerder erop gewezen dat uit deze wetgeving niet blijkt dat LHBTI-personen door deze wet dermate in hun mogelijkheden worden beperkt dat het niet
mogelijk is om op normale wijze te functioneren in de maatschappij. Zo blijkt bijvoorbeeld niet dat LHBTI-personen niet langer toegang hebben tot onder andere het onderwijs, de gezondheidszorg, de arbeidsmarkt en de woningmarkt.
15. Verweerder heeft er verder op gewezen dat eiser in Georgië een normaal leven heeft kunnen leiden. Zo heeft eiser tot aan zijn vertrek uit Georgië probleemloos kunnen werken in Georgië, is er hem probleemloos een paspoort verstrekt door de Georgische autoriteiten en heeft hij het land probleemloos en op legale wijze kunnen verlaten. Volgens verweerder is niet in te zien waarom eiser bij terugkeer naar Georgië niet op eenzelfde wijze zou kunnen leven. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat geen terughoudendheid wordt verwacht bij de invulling van iemands seksuele gerichtheid. Verweerder heeft toegelicht dat er een zekere ‘ondergrens’ wordt gehanteerd, die het feitelijk uiten van de eigen geaardheid en het aangaan van relaties op een manier die niet wezenlijk anders is dan van heteroseksuelen in het betreffende land van herkomst. Het kan daarom zo zijn dat eiser zijn leven niet op dezelfde wijze zal kunnen voeren als hij in Nederland zou kunnen, maar dit maakt niet dat eiser als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag moet worden aangemerkt. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat uit eisers vage en summiere verklaringen niet blijkt dat hij te maken krijgt met een dusdanig ingrijpende inperking dat hij niet op normale wijze kan deelnemen aan de Georgische maatschappij. Eiser stelt alleen dat hij vanwege de dreiging met fysiek geweld zijn leven niet kan leiden zoals hij wil, maar zoals uit het voorgaande volgt heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij te maken zal krijgen met fysiek geweld. Verweerder heeft er bovendien ter zitting op gewezen dat eiser tijdens het nader gehoor (p. 16) heeft verklaard dat hij vanwege zijn opvoeding en mentaliteit niet zou kunnen denken aan een serieuze relatie (met een man).
16. Los van het voorgaande heeft verweerder erop gewezen dat eiser zich bij toekomstige problemen wat betreft zijn seksuele gerichtheid kan wenden tot de Georgische autoriteiten. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat er in 2021 in totaal 106 strafrechtelijke onderzoeken en 20 veroordelingen voor LHBTI-geweld zijn geweest, en dat er in 2022 76 onderzoeken en 40 veroordelingen waren. Voor 2023 zijn cijfers voorhanden onder de verzamelnaam “hate crimes” en daarin zijn 1.824 aangiften opgenomen door de politie. Hiervan zijn 1.668 aangiften aangemerkt als “gender-based hate crime” en 44 als “anti-LGBT hate crime”. Het ging in 931 van het totaal van 1.824 gevallen om “physical assault” en 325 keer om “threats/threatening behaviour”. Naar aanleiding hiervan zijn 1.218 vervolgingen ingesteld en zijn uiteindelijk 756 mensen veroordeeld. Volgens verweerder blijkt hieruit dat de autoriteiten aangiften in behandeling nemen, dat vervolging wordt ingesteld en dat actoren worden veroordeeld. De stellingen van eiser dat de veroordelingen juist laten zien dat er geweld heeft plaatsgevonden en dat de hoge cijfers wel degelijk iets zeggen over de veiligheid van LHBTI-personen, zeggen niets over het optreden van de Georgische politie. Verweerder heeft er juist op gewezen dat er naar aanleiding van aangiftes veroordelingen plaatsvinden, wat volgens verweerder een werkend rechtssysteem onderbouwt. Verder heeft verweerder erop gewezen dat sinds 2018 een “Human Rights Department” actief is binnen het Georgische ministerie van Binnenlandse Zaken, dat als taak heeft onder andere de kwaliteit van onderzoeken naar hate crimes op grond van seksuele oriëntatie en genderidentiteit te monitoren. Dit heeft significante veranderingen met zich meegebracht ten aanzien van opsporing en vervolging. In het bijzonder heeft deze afdeling geholpen met het trainen van de politie en onderzoekers teneinde effectief te kunnen optreden tegen het onderhavige type misdrijven. Voorts zijn in januari 2024 de “National Referral Procedures for Identification, protection, assistance and Rehabilitation of victims of violence against women and/or domestic violence” goedgekeurd. Deze procedures verzekeren snelle, effectieve communicatie en wederzijds afgestemde actie tussen relevante instanties om slachtoffers te beschermen en te verhoeden dat zij opnieuw slachtoffer worden. Hoewel dit niet specifiek op LHBTI-gericht geweld ziet, stelt verweerder dat het er wel raakvlakken mee heeft, omdat hieruit kan worden opgemaakt dat de bescherming tegen mensenrechtenschendingen in Georgië in het algemeen recent is verbeterd. Eiser heeft deze door verweerder genoemde algemene omstandigheden niet concreet en onderbouwd betwist.
17. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat Georgië eveneens voorziet in bijstand door de Ombudsman, die toezicht houdt op de bescherming van mensenrechten en de vrijheden binnen het territorium van Georgië. Eiser kan hier zijn beklag doen als de autoriteiten niet adequaat hebben opgetreden in het behartigen van zijn belangen. Daarbij heeft verweerder erop gewezen dat uit de recent ingevoerde anti-LHBTI wetgeving niet blijkt dat de hierboven beschreven beschermingsmogelijkheden niet langer bestaan of niet langer effectief zijn, of dat het thans bij voorbaat zinloos is om onderhavige bescherming in te roepen. Verweerder heeft dan ook geconcludeerd dat er voor eiser adequate beschermingsmogelijkheden in Georgië voorhanden zijn. Voor zover eiser betoogt dat het incident met de politie in 2014 maakt dat de Georgische autoriteiten hem geen bescherming zullen verlenen wanneer hij problemen ondervindt vanwege zijn seksuele gerichtheid, heeft verweerder er terecht op gewezen dat dit incident geen verband houdt met eisers seksuele gerichtheid. Eiser is destijds immers gearresteerd en vastgezet vanwege zijn politieke activiteiten. Dit maakt dan ook niet dat de autoriteiten hem automatisch niet zullen helpen als hij problemen krijgt vanwege zijn seksuele gerichtheid. Daarbij komt dat het incident in 2014 plaatsvond, wat er eveneens niet toe leidt dat de autoriteiten eiser nu op voorhand niet zouden helpen. Eisers stelling dat de Georgische politie niet te vertrouwen is en mensen worden afgemaakt vanwege hun seksuele geaardheid is slechts gebaseerd op een vermoeden en is niet door eiser onderbouwd. Dit is daarom onvoldoende voor het oordeel dat er voor eiser geen adequate bescherming is in Georgië.

Conclusie en gevolgen

18. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Roozeboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Uit eisers verklaringen volgt dat hij Georgië in november 2014 heeft verlaten en vervolgens van 2016 tot aan zijn komst naar Nederland in oktober 2024 in Frankrijk heeft gewoond.