Deze uitspraak betreft het verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van de afwijzing van de asielaanvraag van verzoekster. Verzoekster is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie op 17 januari 2025 als kennelijk ongegrond is bestempeld. In haar verzoek om voorlopige voorziening voert verzoekster verschillende gronden aan en heeft zij ook beroep ingesteld tegen de afwijzing.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 november 2025 behandeld, samen met een andere zaak (NL25.3160). In de uitspraak van vandaag, die ook betrekking heeft op deze andere zaak, heeft de rechtbank geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet meer nodig is, omdat er inmiddels uitspraak is gedaan op het beroep. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Desondanks heeft de voorzieningenrechter bepaald dat verzoekster recht heeft op een vergoeding van haar proceskosten, die door de minister moet worden betaald. De vergoeding is vastgesteld op € 934,-, gebaseerd op de kosten voor rechtsbijstand door de gemachtigde van verzoekster. De uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, in aanwezigheid van griffier mr. W.J.T. Twijnstra, en is openbaar uitgesproken op 20 januari 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.