Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10755

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
C/09/676094 / FA RK 24-8396
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 815 RvArt. 1:251a BWProtocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met eenhoofdig gezag en vaststelling kinderalimentatie

Partijen zijn gehuwd sinds 2018 en hebben een minderjarige zoon geboren in 2020. De minderjarige verblijft bij de vrouw en de ouders oefenden gezamenlijk gezag uit. De vrouw verzoekt echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder eenhoofdig gezag en kinderalimentatie.

De man is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. Ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan verklaart de rechtbank het verzoek ontvankelijk omdat het redelijkerwijs niet mogelijk is een plan te overleggen.

De rechtbank stelt vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en kent de echtscheiding toe. Gezien de afwezigheid en het gebrek aan betrokkenheid van de vader, en de speciale zorgbehoefte van het kind, wordt het eenhoofdig gezag aan de moeder toegekend. De rechtbank wijst ook de kinderalimentatie van €737 per maand toe vanaf 10 oktober 2024, ondanks het ontbreken van financiële stukken van de vader, gelet op de extra zorgkosten voor het kind.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de vader wordt verplicht de alimentatie bij vooruitbetaling te voldoen.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, eenhoofdig gezag toegekend aan de moeder en kinderalimentatie vastgesteld op €737 per maand.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8396
Zaaknummer: C/09/676094
Datum beschikking: 27 maart 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 20 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Bagci-Çiçek te ‘s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
volgens de Basisregistratie Personen Registratie Niet Ingezetenen (RNI).

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het bericht van 16 december 2024 van de zijde van de vrouw, met als bijlage een betekeningsexploot;
  • het bericht van 16 december 2024 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 13 januari 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het F9-formulier van 7 februari 2025 van de zijde van de vrouw;
  • het bericht van 24 februari 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het F9-formulier van de zijde van de vrouw van 7 april 2025, met als bijlage een openbaar exploot;
  • het F9-formulier van 11 april 2025 van de zijde van de vrouw, met als bijlage een betekeningsexploot;
  • het F9-formulier van 22 juli 2025 van de zijde van de vrouw, met als bijlage een aanvullend/gewijzigd verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 28 juli 2025 van de zijde van de vrouw, met als bijlage een betekeningsexploot;
  • het F9-formulier van 4 februari 2026 van de zijde van de vrouw.
Op 27 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw met haar advocaat en tolk M. Sivridag;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

Feiten

  • Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2018 te [plaats] ( [land] ).
  • Zij zijn de ouders van de [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] .
  • [minderjarige] verblijft bij de vrouw.
  • De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
  • Blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) hebben de man, de vrouw en [minderjarige] de [land] nationaliteit.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
  • bepaling dat voortaan alleen aan de vrouw het ouderlijk gezag zal toekomen over [minderjarige] ;
  • vaststelling van kinderalimentatie van € 737,- per maand, met ingang van 20 november 2024 bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van de vrouw zich in Nederland bevond en deze daar sinds ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan die indiening verblijfplaats had, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan
Op grond van artikel 815, zesde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geldt het overleggen van een ouderschapsplan als een processuele vereiste bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank kan een verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk verklaren indien een ouderschapsplan ontbreekt, tenzij aannemelijk is dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om een dergelijk plan over te leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gebleken dat het voor de vrouw op dit moment niet mogelijk is om een door beiden akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank zal de vrouw dan ook, ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Eenhoofdig gezag
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek met betrekking tot het gezag.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt te worden belast met het eenhoofdig gezag. Volgens de vrouw woont de man in [land] . Zij heeft geen contact met hem. Ook tussen [minderjarige] en de man is er geen contact. Er is geen sprake van enige betrokkenheid van de man in het leven van [minderjarige] . De vrouw ondervindt hinder van het feit dat zij samen met de man belast is met het gezag, met name omdat [minderjarige] autisme heeft, speciaal onderwijs volgt en daarom vaak afspraken en hulpverlening geregeld moeten worden. Elke keer als de vrouw toestemming moet verkrijgen is het een moeizaam, tijdrovend en onzeker proces. Het is daarom in het belang van [minderjarige] dat zij eenhoofdig belast wordt met het gezag.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:251a, eerste lid BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat aan beide voornoemde gronden voor het beëindigen van het gezamenlijk gezag is voldaan. Het is voor de vrouw lastig om dingen te regelen voor [minderjarige] , terwijl [minderjarige] vanwege zijn persoonlijke problematiek er behoefte aan heeft dat beslissingen over hem met voortvarendheid kunnen worden genomen. Daarbij ontbreekt betrokkenheid van de man in het leven van [minderjarige] , waardoor de man naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende in staat is om te bepalen wat in het belang van [minderjarige] nodig is. De rechtbank weegt hierbij mee dat de man geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek en niet op de zitting is verschenen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de man op dit moment inderdaad niet erg betrokken is bij [minderjarige] . Alles overwegende zal de rechtbank daarom het verzoek van de vrouw toewijzen en haar belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie.
Op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, zal de rechtbank Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw verzoekt, met ingang van 10 oktober 2024, een bijdrage van de man in de kosten van [minderjarige] van € 737,- per maand.
De rechtbank zal, nu de man geen verweer heeft gevoerd, het verzoek van de vrouw toewijzen. De rechtbank heeft geen financiële stukken van de man, en kan daarom niet concreet vaststellen of het verzochte bedrag aan de wettelijke maatstaven voldoet. De vrouw heeft echter ter zitting aangegeven dat [minderjarige] een hoge behoefte heeft door extra zorgkosten in verband met zijn autisme. Het lukt haar niet om zonder een bijdrage van de man alle kosten voor [minderjarige] te voldoen. De rechtbank acht dit aannemelijk. Omdat de man niet in de procedure is verschenen en geen financiële stukken heeft ingediend, zal de rechtbank het verzochte bedrag van € 737,- toewijzen.
De ingangsdatum van de kinderalimentatie zal zoals verzocht 10 oktober 2024 zijn.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2018 te [plaats] ( [land] );
*
bepaalt dat voortaan alleen aan de vrouw, [de vrouw] , geboren op [geboortedatum 2] 1994 te [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ), het gezag zal toekomen over de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ,
en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 10 oktober 2024 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] zal betalen van € 737,- per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 maart 2026.