Gezag
De vader heeft verzocht om hem (opnieuw) te belasten met het gezag over [de minderjarige] . Volgens hem is de situatie gewijzigd ten opzichte van de echtscheidingsbeschikking, omdat de moeder en [de minderjarige] op dat moment in Zuid-Korea woonden. De vader heeft toen, met name gelet op de afstand, ingestemd met het eenhoofdig gezag voor de moeder. Inmiddels is dat anders: zowel de vader als de moeder en [de minderjarige] wonen in Nederland. De vader wil meer betrokken zijn bij [de minderjarige] . Hoewel hij erkent dat de communicatie tussen partijen niet altijd soepel loopt, doet dit zich volgens hem enkel voor wanneer de moeder zich niet houdt aan de omgangsregeling. Dat leidt er echter niet toe dat partijen het gezag niet gezamenlijk kunnen uitoefenen. De vader vreest daarnaast dat de moeder (weer) zal verhuizen. Als hij geen gezag heeft, is hij ook niet betrokken bij een dergelijke beslissing.
De moeder is het niet eens met verzoek van de vader. Het lukt haar niet om constructief met de vader te communiceren en zij verwacht dat [de minderjarige] klem en verloren zal raken bij gezamenlijk gezag. De moeder heeft geen vertrouwen in de vader en hij heeft geen vertrouwen in haar, terwijl een vertrouwensband naar haar mening een noodzakelijke basis is voor gezamenlijk gezag.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1:253o BW bepaalt dat beslissingen waarbij een ouder alleen met het gezag is belast op verzoek van de ouders of van een van hen door de rechtbank kunnen worden gewijzigd op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Uitgangspunt hierbij is dat de situatie sinds de beslissing van de rechter zodanig veranderd is, dat het niet langer in het belang van het kind is om het eenhoofdig gezag te handhaven. Hoewel de rechtbank met de vader van oordeel is dat de situatie is veranderd ten opzichte van de Koreaanse beslissing over het gezag, leidt dit er niet toe dat de ouders (opnieuw) gezamenlijk met het gezag moeten worden belast. De rechtbank vindt het in het belang van [de minderjarige] dat (voor nu) de moeder alleen met het gezag blijft belast. Daarbij neemt de rechtbank ook de vereisten die in het algemeen gelden bij het verkrijgen van het gezag (waaronder het klem-en-verloren-criterium) mee in haar beoordeling. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, leidt de rechtbank af dat de communicatie tussen partijen ernstig te wensen overlaat. Het lukt hen niet om afspraken te maken en in de afgelopen jaren hebben verschillende procedures over [de minderjarige] plaatsgevonden. De ouders wantrouwen elkaar sterk: de vader vreest dat de moeder het contact met [de minderjarige] zal blijven beperken en de moeder heeft onvoldoende vertrouwen in de opvoedvaardigheden van de vader. Zij maken daarbij continu verwijten naar elkaar, zo is ook op de zitting gebleken. Zoals ook door de Raad is benoemd, ontbreekt een gezamenlijke visie op het ouderschap. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de verwachting bestaat dat [de minderjarige] bij gezamenlijk gezag klem zal komen te zitten. De rechtbank wijst het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag daarom af.
De rechtbank merkt hierbij wel op dat indien de communicatie en het vertrouwen tussen de ouders verbetert, op termijn mogelijk wel ruimte kan ontstaan voor gezamenlijk gezag.
De vader vreest dat de moeder opnieuw naar het buitenland zal verhuizen. De rechtbank benadrukt dat een dergelijke verhuizing ook bij eenhoofdig gezag een inbreuk op het omgangsrecht van de vader kan betekenen en dat de moeder daarom niet zonder meer naar het buitenland zal kunnen verhuizen.
Omgangsregeling
Aangezien het verzoek van de vader inzake het gezamenlijk gezag wordt afgewezen, spreekt de rechtbank in het navolgende over een omgangsregeling.
Wijziging van omstandigheden
De rechtbank is gebleken dat na de voormelde vaststelling van een omgangsregeling door de rechtbank in Zuid-Korea op 20 juli 2023 de omstandigheden zijn gewijzigd. Gebleken is dat de moeder na deze uitspraak met [de minderjarige] naar Nederland is verhuisd, zodat de rechtbank reeds hierin een wijziging van omstandigheden ziet. Omdat de Koreaanse uitspraak van 9 januari 2025 niet wordt erkend, is het niet relevant of de omstandigheden ten opzichte van deze uitspraak zijn gewijzigd. De vader en de moeder zijn daarom ontvankelijk in hun verzoeken tot wijziging van de omgangsregeling.
Inhoudelijke beoordeling
Hoewel in het voorgaande is gebleken dat de uitspraak van 9 januari 2025 uit Zuid-Korea niet voor erkenning in aanmerking komt, hebben partijen de hierin opgenomen omgangsregeling in de praktijk wel uitgevoerd. [de minderjarige] verbleef daarbij steeds om het weekend op zaterdag bij de vader. Volgens deze omgangsregeling zou [de minderjarige] vanaf januari één keer per maand 2026 bij de vader zou moeten gaan overnachten. De moeder heeft hieraan echter haar medewerking geweigerd, omdat [de minderjarige] volgens haar na de omgangsmomenten afwijkend gedrag vertoont en zorgwekkende uitspraken doet. [de minderjarige] is ook gewend om bij de moeder (in bed) te slapen en zij is bang dat de vader haar ’s nachts niet zal kunnen kalmeren, aldus de moeder. De vader wil juist een uitgebreidere omgangsregeling met [de minderjarige] en zo snel mogelijk starten met overnachtingen, om zo een goede band te kunnen opbouwen, juist omdat hij langere tijd geen contact met [de minderjarige] heeft gehad.
Evenals de Raad is de rechtbank van oordeel dat de huidige omgangsregeling te beperkt is en dat deze moet worden uitgebreid. De rechtbank ziet daarbij in hetgeen door de moeder is aangevoerd geen reden om de overnachtingen bij de vader uit te stellen. Het is gelet op deze zorgen juist van belang dat zij meer contact heeft met de vader, zo is door de Raad op de zitting uitgelegd. Daarbij moet wel een opbouw plaatsvinden, zodat [de minderjarige] kan wennen om steeds wat langer bij de vader te zijn. Daarbij is het ook van belang om de vragen van [de minderjarige] over haar situatie, waarbij ze zowel bij de moeder als bij de vader een ‘thuis’ zal hebben, op een leeftijdsadequate manier te beantwoorden.
Gelet op hierop zal de rechtbank een omgangsregeling vaststellen, waarbij [de minderjarige] allereerst op zaterdag overdag langer bij de vader zal zijn. In de meivakantie 2026 zal zij vervolgens voor het eerst een nacht bij de vader slapen, waarna [de minderjarige] om de week bij de vader gaat slapen en uiteindelijk tot zondag 17.00 uur bij hem verblijft. De moeder (of haar partner) zal daarbij steeds [de minderjarige] naar de vader brengen en de vader brengt [de minderjarige] weer terug bij de moeder thuis. Het verzoek van de vader om [de minderjarige] ook doordeweeks een dag na schooltijd bij de vader te laten zijn, zal de rechtbank afwijzen. De rechtbank vindt dit – gelet op de reisafstand en de jonge leeftijd van [de minderjarige] – op dit moment te onrustig voor haar.
Ten aanzien van het verzoek van de vader om een verdeling van de vakanties en de feestdagen, zal de rechtbank een regeling vaststellen, waarbij [de minderjarige] in de zomervakantie van 2026 een week bij de vader verblijft, alsmede de helft van de herfstvakantie en een week in de kerstvakantie. Vanaf 2027 zal [de minderjarige] in de zomervakantie twee weken bij de vader verblijven en voor het overige conform het verzoek tot verdeling van de vakanties en feestdagen van de vader, nu door de moeder hiertegen geen inhoudelijk verweer is gevoerd. Voor de feestdagen in 2026 geldt dat de rechtbank deze niet in de door haar vastgestelde opbouwregeling vindt passen. De verzoeken van de vader op dat punt worden daarom afgewezen.
Informatieregeling
De vader heeft tot slot verzocht om de vaststelling van een informatieregeling. De moeder heeft hiertegen geen bezwaar. De rechtbank zal een informatieregeling vaststellen, met dien verstande dat zij een frequentie van één keer per kwartaal voldoende vindt, mede gelet op de vast te stellen omgangsregeling. De rechtbank vindt het van belang dat de moeder – als gezagsdragende ouder – de vader op de hoogte houdt over de ontwikkeling van [de minderjarige] , medische aangelegenheden, school, sport of andere hobby’s, interesses, sociale activiteiten, et cetera. Van de moeder wordt verwacht dat zij de vader steeds per e-mail zal informeren. Op deze manier is de vader niet alleen op de hoogte van [de minderjarige] , maar heeft hij ook de mogelijkheid om zoveel mogelijk aan te sluiten bij haar belevingswereld en behoeften.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld. De rechtbank ziet in hetgeen door de moeder is aangevoerd ten aanzien van een proceskostenveroordeling, geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
BeslissingDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van het Familiy Court te Daegu, Zuid-Korea van 20 juli 2023 –:
verklaart voor recht dat de beschikking van het Family Court te Daegu, Zuid-Korea van 20 juli 2023 voor erkenning in aanmerking komt, zowel ten aanzien van de echtscheiding als het gezag en de omgangsregeling;
wijst het verzoek van de vader om hem mede met het gezag te belasten af;
bepaalt dat de minderjarige: [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , Zuid-Korea, bij
de vader zal zijn:
- vanaf heden: om de week op zaterdag van 09.00 uur tot 17.00 uur;
- vanaf het eerste weekend van de meivakantie (aldus 25 april 2026) en vervolgens
om de week van zaterdag 09.00 uur tot zondag 13.00 uur;
- vanaf 13 juni 2026: om de week van zaterdag 09.00 uur tot zondag 17.00 uur;
waarbij de moeder (of haar partner) [de minderjarige] steeds naar de vader brengt en de vader [de minderjarige] vervolgens weer terugbrengt bij de moeder;
stelt een verdeling van de schoolvakanties en feestdagen vast, waarbij [de minderjarige] :
- in 2026:
- in de zomervakantie 2026 een week (zeven dagen) bij de vader verblijft, waarbij de ouders in onderling overleg zullen bepalen welke week dit is;
- in de herfstvakantie 2026 de helft van de herfstvakantie bij de vader verblijft, waarbij de ouders in onderling overleg zullen bepalen welk deel dit is;
- in de kerstvakantie 2026/2027 een week bij de vader verblijft;
- vanaf 2027 :
- in de voorjaarsvakantie in de even jaren bij de vader verblijft en de oneven jaren bij de moeder;
- in de meivakantie één week bij elke ouder verblijft, in onderling overleg nader te bepalen;
- in de zomervakantie: twee weken bij de vader en vier weken bij de moeder verblijft, in onderling overleg nader te bepalen;
- in de herfstvakantie: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder verblijft;
- tijdens Pasen: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder verblijft;
- tijdens Hemelvaart: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder verblijft;
- tijdens Pinksteren: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder verblijft;
- tijdens Koningsdag: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bji de moeder verblijft;
- tijdens haar verjaardag conform de zorgregeling bij een ouder verblijft, waarbij de andere ouder haar mag bezoeken;
- tijdens de verjaardag van de vader (15 januari) of moeder (1 mei) bij de betreffende ouder verblijft;
bepaalt dat de vrouw met ingang van heden de man eens per kwartaal per e-mail informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van en de ontwikkeling van [de minderjarige] ;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Boot, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026.