Uitspraak
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2026 in de zaak tussen
[naam], uit [woonplaats], verzoeker,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Rechtbank Den Haag
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 21 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker een voorlopige voorziening vroeg tegen besluiten van het UWV van 19 en 23 februari 2026. Het eerste besluit betrof de beëindiging van de toeslag op de WAO-uitkering met terugwerkende kracht per 21 september 2025, het tweede besluit de terugvordering van een bedrag van € 6.489,80.
Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen beide besluiten en verzocht de rechtbank om schorsing van de uitvoering totdat op het bezwaar was beslist. De voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed, hetgeen bij financiële geschillen niet snel het geval is. Verzoeker stelde dat hij zonder toeslag niet kan voorzien in zijn primaire levensbehoeften en dat hij schulden heeft, maar onderbouwde dit niet met stukken.
De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen sprake was van een acute financiële noodsituatie of onomkeerbare situatie, zoals faillissement. Ook was niet duidelijk of verzoeker al een bijstandsuitkering had aangevraagd. Daarom ontbrak het spoedeisend belang en werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.