ECLI:NL:RBDHA:2026:10739

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
SGR 26/2383
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij WIA-uitkering

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 21 april 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker een voorlopige voorziening vroeg tegen het besluit van het UWV van 10 maart 2026. Dit besluit handhaafde het eerdere besluit van 17 juni 2024 waarbij verzoeker een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) werd toegekend.

Verzoeker stelde dat hij betalingsachterstanden had op diverse vaste lasten zoals hypotheek, VvE-bijdrage en zorgverzekering, en dat zijn huidige uitkering lager was dan zijn maandelijkse lasten, waardoor hij in financiële problemen verkeerde. Zijn partner had bovendien een eenmanszaak met cumulatief verlies over meerdere jaren.

De voorzieningenrechter oordeelde echter dat er geen sprake was van een spoedeisend belang. Verzoeker werkte per 1 september 2025 in loondienst en ontving een loonaanvullingsuitkering. Er was geen acute financiële nood of onomkeerbare situatie zoals faillissement. Ook een brief van een incassobureau en een melding bij het Bureau Krediet Registratie konden niet overtuigen van een onherstelbare financiële situatie.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening zonder zitting afgewezen. De uitspraak bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/2383

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 april 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [woonplaats], verzoeker,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 10 maart 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het Uwv heeft in het besluit van 10 maart 2026 bepaald dat het zijn besluit van 17 juni 2024 niet wijzigt. In dat besluit heeft het Uwv bepaald dat verzoeker een uitkering krijgt op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).

Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker heeft met stukken onderbouwd dat hij betalingsachterstanden heeft van zijn hypotheek, van de VvE bijdrage, zorgverzekeringskosten, overlijdensrisicoverzekering en collegegeld. Zijn partner heeft een eenmanszaak waarin over de periode van 2022 t/m 2025 sprake is van een gecumuleerd verlies. Verzoeker benadrukt dat zijn huidige (onjuiste) uitkering lager is dan de som van zijn primaire maandelijkse vaste lasten en dat er geen ruimte is voor aflossing.
4. Volgens verweerder is er geen sprake van een spoedeisend belang. Per 1 september 2025 werkt verzoeker in loondienst en wordt zijn WIA-uitkering op voorschot betaald. Vanwege inkomsten ontvangt hij een loonaanvullingsuitkering. In de brief van incassobureau Mender van 11 maart 2026 wordt aangegeven dat een regeling kan worden afgesproken.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen sprake van spoedeisend belang. Zoals verweerder in het verweerschrift aangeeft werkt verzoeker in loondienst en ontvangt hij een loonaanvullingsuitkering op voorschot vanwege zijn inkomsten. In het dossier zit een betaalspecificatie van verzoekers WIA-uitkering van 9 maart 2026 waaruit volgt dat hij in maart 2026 een bedrag van bruto € 3.001,07 heeft ontvangen. Dat verzoekers uitkering lager is dan zijn vaste lasten, en dat hij naar eigen zeggen geen ruimte heeft voor aflossing van zijn betalingsachterstanden, betekent echter niet dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie. Ook de brief van Florius van 11 april 2026, maakt niet dat er sprake is van een acute financiële noodsituatie. In deze brief staat dat een melding wordt gemaakt van de betaalachterstand van zijn hypotheek bij het Bureau Krediet Registratie. Dat deze melding volgens verzoeker leidt tot onherstelbare financiële schade en hem voor jaren belemmert in het financiële verkeer kan de voorzieningenrechter zonder nadere toelichting niet volgen. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht niet dat hij in een onomkeerbare financiële situatie terechtkomt.

Conclusie en gevolgen

6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.