ECLI:NL:RBDHA:2026:10682

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
NL26.12573
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening mvv-aanvraag moeder wegens ontbreken zwaarwegend spoedeisend belang

Verzoekster, moeder van een in Nederland verblijvende persoon met een verblijfsvergunning, heeft een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om zich bij haar zoon en diens gezin in Nederland te voegen. De minister heeft dit verzoek afgewezen wegens het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden.

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd om gedurende de bezwaarprocedure als houder van een mvv te worden beschouwd. De voorzieningenrechter oordeelt dat het primaire verzoek geen voorlopig karakter heeft en toewijzing onomkeerbare gevolgen zou hebben.

Hoewel verzoekster een zorgbehoefte heeft, blijkt uit het medische rapport onvoldoende concreet welke zorg zij nodig heeft en waarom deze zorg specifiek door haar zoon en diens gezin moet worden verleend. Ook is onduidelijk of het zorgalternatief in Turkije niet kan worden voortgezet.

Daarom is geen sprake van een zwaarwegend spoedeisend belang dat toewijzing van de voorlopige voorziening rechtvaardigt. Het verzoek wordt afgewezen zonder proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een zwaarwegend spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12573

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Procesverloop

1. Referent heeft namens verzoekster een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 februari 2026 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Inleiding
2. Verzoekster heeft de Syrische nationaliteit. Zij is de moeder van referent, die in Nederland verblijft en een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft. Verzoekster verblijft op dit moment in Turkije, samen met de echtgenote en dochter van referent. Referent heeft namens hen mvv-aanvragen ingediend, zodat zij allen bij hem in Nederland kunnen verblijven als familie- of gezinslid.
2.1.
De minister heeft de verzochte mvv’s voor de echtgenote en dochter van referent verleend. De minister heeft de mvv-aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen verzoekster en referent of zijn echtgenote. Ook is er volgens de minister geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen verzoekster en de dochter van referent.
2.2.
Hierop heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarbij zij de voorzieningenrechter primair verzoekt om te bepalen dat zij gedurende de bezwaarprocedure wordt beschouwd als ware zij in het bezit van een mvv. Subsidiair verzoekt zij de voorzieningenrechter om de minister op te dragen uiterlijk 15 juli 2026 op het bezwaar te beslissen.
2.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het primaire verzoek geen voorlopig karakter heeft. Toewijzing zou immers betekenen dat verzoekster Nederland kan inreizen, zodat de feitelijke situatie ontstaat die zij met haar aanvraag beoogt, terwijl de minister nog niet op het bezwaar heeft beslist. De gevolgen van toewijzing van het primaire verzoek zijn dan ook onomkeerbaar. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden zal een dergelijk verzoek voor toewijzing in aanmerking komen, namelijk in die gevallen waarin de nadelige gevolgen voor verzoekster van de afwijzing van de aanvraag in verhouding tot de belangen van de minister bij de handhaving van die afwijzing zo onevenredig zijn dat de beslissing op het bezwaarschrift niet kan worden afgewacht. Daarvan is in beginsel alleen sprake als een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe noodzaakt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit.
Is sprake van een (zwaarwegend) spoedeisend belang?
3. Volgens verzoekster is het spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen gelegen in het feit dat de echtgenote en dochter van referent binnen enkele maanden gebruik moeten maken van de aan hen verleende mvv’s en naar Nederland moeten reizen, terwijl verzoekster onmogelijk alleen in Turkije kan achterblijven. Verzoekster is namelijk afhankelijk van referent en zijn gezin. Verzoekster wijst op het door haar overgelegde medische rapport en een verklaring van een stichting die verzoekster en de echtgenote en dochter van referent in Turkije ondersteunt. Daarmee is volgens verzoekster aannemelijk gemaakt dat zij in verband met haar gezondheid niet in staat is om zelfstandig te functioneren en dat zij aangewezen is op zorg en ondersteuning in het dagelijks leven.
3.1.
Hoewel de wens van referent en zijn echtgenote om in Nederland voor verzoekster te kunnen zorgen zeer begrijpelijk is, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een (zwaarwegend) spoedeisend belang. Met de stukken die verzoekster heeft overgelegd, heeft zij vooralsnog onvoldoende onderbouwd waarom het noodzakelijk is dat juist referent en zijn echtgenote haar moeten verzorgen. Uit het overgelegde medische rapport blijkt weliswaar dat verzoekster een zorgbehoefte heeft, maar blijkt onvoldoende waar die zorgbehoefte uit bestaat. Zo staat in het rapport dat verzoekster haar dagelijkse werkzaamheden niet kan verrichten, maar wordt dit niet nader toegelicht. Daarnaast wordt in het rapport benoemd dat verzoekster behoefte heeft aan ondersteuning door de familie, maar wordt niet toegelicht waar die ondersteuning uit zou moeten bestaan. Het is op basis van de overgelegde stukken dan ook onduidelijk welke zorg verzoekster concreet nodig heeft en of zij afhankelijk is van specifieke zorg van referent en zijn echtgenote om zelfstandig te kunnen functioneren. De minister heeft er ook terecht op gewezen dat onduidelijk is of er in Turkije een reëel zorgalternatief is. Uit de door verzoekster overgelegde verklaring van een stichting in Turkije volgt dat verzoekster en de echtgenote en dochter van referent sinds 2020 door deze stichting worden ondersteund in hun dagelijkse behoeften. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze zorg, bij vertrek van de echtgenote en dochter van referent naar Nederland, niet zou kunnen worden voortgezet of zo nodig uitgebreid.
3.2.
Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter niet toe aan een voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De overige door verzoekster aangevoerde argumenten gericht tegen het primaire besluit zullen daarom niet worden besproken. Dit zal bij de beoordeling van het bezwaar aan de orde komen.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.