ECLI:NL:RBDHA:2026:1067
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling wegens voortvarendheid en zicht op uitzetting
De minister van Asiel en Migratie legde op 26 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank had deze maatregel reeds getoetst en verklaarde deze op 16 december 2025 rechtmatig tot dat moment. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelde of de minister voldoende voortvarend handelde bij de uitzetting van eiser. De minister had meerdere rappels gestuurd aan de Egyptische autoriteiten en vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Hoewel geen nader onderzoek was gedaan naar het boeken van een vlucht met een verlopen paspoort, achtte de rechtbank dit onvoldoende om voortvarendheid te betwijfelen.
Daarnaast stelde eiser dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn vanwege het uitblijven van een laissez-passer van Egypte. De rechtbank oordeelde dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden werd voldaan, mede omdat de Egyptische autoriteiten nog niet hadden geweigerd een laissez-passer te verstrekken en eiser niet meewerkte aan zijn uitzetting.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.